5 Vaststelling procedure overbrenging afvalstoffen (EVOA)
5.1 Het afvalstoffenprobleem en milieubeleid
Afvalstoffen kunnen als grondstof bij de productie van andere goederen worden gebruikt: wat een afvalstof is voor de een, kan een grondstof zijn voor de ander.
Afvalstoffen kunnen belastend zijn voor het milieu en volksgezondheid. Om voor bedrijven de kosten voor het recyclen of verwijderen van deze afvalstoffen zo laag mogelijk te houden, wordt vaak de goedkoopste methode van verwijdering toegepast. Bij een ongecontroleerde handel en overbrenging kan dit leiden tot een ongewenste stroom van te verwijderen afvalstoffen naar die landen waar men de afvalstoffen het goedkoopst kwijt kan.
Doelstellingen milieubeleid van de Europese Unie
De Unie streeft een circulaire economie. Daarnaast streeft de Unie naar een doelmatige en milieu verantwoorde verwijdering van afvalstoffen waaraan onder andere de volgende principes ten grondslag liggen:
- het nabijheidbeginsel: afvaltransporten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen en de verwijdering moet zo dicht mogelijk bij de bron gebeuren;
- preventief afvalstoffenbeleid: het ontstaan van afval moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Als afval ontstaat, moet het worden hergebruikt; als dit niet mogelijk is, wordt het afval verbrand. Is dit uit milieutechnische overwegingen niet wenselijk, dan wordt het afval gestort;
- minimumvoorwaarden: voor afvalverwerking: overbrenging van afvalstoffen naar landen die niet aan deze voorwaarden voldoen, is verboden;
- het zelfverzorgingbeginsel: de verwerking van afvalstoffen vindt in principe plaats in het land van oorsprong.
5.2 Uitgangspunten EVOA
De EVOA heeft als voornaamste uitgangspunten:
- het kanaliseren van de afvalstromen
- het scheppen van voorwaarden om toezicht uit te oefenen op:
- de overbrenging van afvalstoffen
- het bereiken van de uiteindelijke eindbestemming
- de uiteindelijke verwerking van afvalstoffen
Naast de harmonisatie van de afvalstoffenwetgeving in de Unie zijn de internationale afspraken in Bazel- en OESO-verband opgenomen in de Europese regelgeving. Deze ontwikkelingen vormden de basis voor de totstandkoming van de EVOA.
Mengverbod
Vanaf het begin van de overbrenging tot de ontvangst in een inrichting voor nuttige toepassing of verwijdering mogen afvalstoffen niet met andere afvalstoffen worden gemengd (artikel 19 EVOA).
5.2.1 Uitvoer in principe verboden
Eén van de uitgangspunten van de EVOA is dat de uitvoer van afvalstoffen bestemd voor verwijdering naar landen buiten de Unie -behoudens uitzonderingen EVA landen en terugnameplicht van derde landen- verboden is.
De uitvoer van afvalstoffen bestemd voor nuttige toepassing naar een land buiten de Unie is in bepaalde gevallen toegestaan waarbij onder meer onderscheid wordt gemaakt tussen:
- landen van bestemming die vallen onder het OESO-besluit (OESO-landen);
- andere landen van bestemming (niet-OESO-landen).
5.2.2 Verplicht optreden tegen illegale overbrenging
De lidstaten zijn verplicht op te treden tegen illegale overbrenging. Dit is een overbrenging van afvalstoffen die niet volgens een aantal regels van EVOA heeft plaatsgevonden. De betrokken bevoegde autoriteiten moeten samenwerken om de afvalstoffen terug te doen brengen naar de staat van verzending of elders op een milieu verantwoorde wijze te verwerken. Ook moeten de lidstaten de nationale wetgeving zodanig vorm geven dat illegale overbrenging wordt voorkomen en bestraft.
Als de Douane een illegale overbrenging ontdekt, moet deze terstond door de tussenkomst van een vraagbaak Afvalstoffen worden gemeld aan de ILT.
5.2.3 Verschillende procedures binnen de EVOA
De EVOA geldt in principe voor grensoverschrijdende overbrenging van bijna alle soorten afvalstoffen.
De EVOA-procedure die moet worden gevolgd, is afhankelijk van een aantal factoren. Afhankelijk van:
- de soort afvalstof;
- nuttig toepassen of verwijderen en de wijze waarop;
- in welke groep (e.g. gevaarlijk, niet gevaarlijk) de afvalstoffen vallen;
- land van herkomst, oorsprong of bestemming de afvalstoffen hebben.
De procedure die volgt kan betekenen dat er vooraf toestemming verleend moet zijn voor de overbrenging van afvalstoffen of dat een informatieverplichting voldoende is om bij het transport aanwezig te hebben. Deze toestemming wordt verleend door de bevoegde autoriteiten van de betrokken (doorvoer)landen. De informatieplicht kan door een marktdeelnemer zelf worden ingevuld.
5.3 Vier vragen voor toepassing van de EVOA
De EVOA is van toepassing op:
- de overbrenging van afvalstoffen tussen de lidstaten van de Unie
- de invoer, uitvoer en doorvoer van afvalstoffen
De EVOA is niet van toepassing op nationale transporten van afvalstoffen die de grens van een lidstaat niet overschrijden. Nationale systemen moeten wel aansluiten op de EVOA procedures (artikel 36 EVOA).
Er zijn vier vragen van belang bij de beoordeling of de overbrenging van afvalstoffen onder de toepassing van de EVOA valt en welke procedure is voorgeschreven:
- Is er sprake van afvalstoffen?
- Zijn de afvalstoffen bestemd voor verwijdering of nuttige toepassing?
- In welke groep vallen de afvalstoffen voor nuttige toepassing?
- Vanuit welk land worden de afvalstoffen ingevoerd of naar welk land uitgevoerd?
5.4 Vraag 1: Is er sprake van afvalstoffen?
Als er geen sprake is van afvalstoffen, dan is de EVOA niet van toepassing.
In de praktijk gaat het erom te onderkennen dat goederen mogelijk afvalstoffen zijn. Dat is niet altijd makkelijk omdat het onderscheid tussen een afvalstof voor nuttige toepassing en een grondstof ter discussie kan staan.
De EVOA bevat geen definitie van het begrip afvalstoffen. De EVOA verwijst daarvoor naar de Richtlijn2008/98/EG. Een aantal afvalstoffen is echter uitgezonderd van de toepassing van EVOA, omdat hiervoor meer specifieke regelgeving geldt.
5.4.1 Begrip afvalstof
In de Richtlijn 2008/98 (artikel 3, lid 1) is de definitie voor afvalstoffen opgenomen: ’Een afvalstof is elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen'.
Elk goed kan dus een afvalstof zijn. De aard en samenstelling van de goederen is niet doorslaggevend. Een afvalstof is immers elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet.
5.4.2 Bijproducten en einde afvalfase
Bijproducten
Materialen die niet het hoofddoel zijn van een productieproces, kunnen onder bepaalde voorwaarden worden aangemerkt als bijproduct (Richtlijn 2008/98 artikel 5).
Die voorwaarden zijn onder meer:
- het is zeker dat stof of voorwerp wordt gebruikt
- het kan onmiddellijk worden gebruikt zonder verdere behandeling dan welke bij normale productie gangbaar is
- het wordt geproduceerd als integraal onderdeel van productieproces
- het gebruik is rechtmatig, voldoet aan alle voorschriften inzake producten, milieu en gezondheidsbescherming
Einde-afvalfase (End of Waste, afkorting EoW).
Bepaalde specifieke afvalstoffen zijn niet langer afval als ze een behandeling hebben ondergaan en voldoen aan bepaalde voorwaarden (Richtlijn 2008/98 artikel 6). Deze voorwaarden zijn:
- De stof of het voorwerp wordt gebruikelijk toegepast voor specifieke doelen.
- Er is een markt voor of vraag naar de stof of het voorwerp.
- De stof of het voorwerp voldoet aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen.
- Het gebruik van de stof of het voorwerp heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid.
De Europese Commissie is verantwoordelijk voor het vaststellen van criteria om vast te stellen of een stof of voorwerp voldoet aan het begrip “Einde afval fase”. Als deze criteria voor een bepaalde groep afvalstoffen is vastgesteld worden deze gepubliceerd in een Verordening.
Indien er nog geen criteria bestaan mogen lidstaten zelf afvalstoffen aanwijzen voor einde-afvalfase. Lidstaten stellen de Europese Commissie hiervan in kennis.
5.4.3 Verordening (EG) 333/2011 betreffende schroot
Een belangrijk doel van deze verordening is de recyclingmarkten in de Unie te stimuleren door administratieve lasten voor de recyclingsector te verminderen en bijdragen te leveren tot de grondstoffenvoorziening van Europese bedrijven
In deze verordening worden criteria vastgesteld aan de hand waarvan kan worden bepaald wanneer schroot van ijzer, staal en aluminium, inclusief schroot van aluminiumlegeringen, niet langer als afval wordt aangemerkt. Belangrijke criteria zijn dat voor de zendingen een conformiteitsverklaring beschikbaar moet zijn en dat de producent, leverancier en importeur een kwaliteitsbeheersysteem hanteren dat onder toezicht staat van de bevoegde milieuautoriteiten.
In het geïntegreerd douanetarief zijn ter zake het in het vrije verkeer brengen specifieke onderverdelingen gemaakt voor zendingen metaalschroot dat voldoet aan de eisen van de Verordening 333/2011 en waarvoor een conformiteitsverklaring beschikbaar is.
De invoer van schroot van ijzer, staal en aluminium, inclusief schroot van aluminiumlegeringen, dat niet langer als afval wordt aangemerkt, is onderworpen aan de voorlegging van een conformiteitverklaring overeenkomstig het model zoals opgenomen in Bijlage III van Verordening (EU) nr. 333/2011.
In gegevenselement 1203 “bewijsstuk” DMS (voorheen: vak 44 van de aangifte AGS) voor het in het vrije verkeer brengen dient de code C058 voor de conformiteitverklaring te worden vermeld.
Indien metaalschroot wordt aangeven voor het vrije verkeer zijn er twee situaties mogelijk:
Situatie 1: er is een geldige conformiteitsverklaring aanwezig.
De aangegeven zending schroot bevindt zich in het End of Waste stadium. Er is geen sprake meer van afvalstoffen en de beperkende bepalingen van de EVOA zijn niet meer van toepassing. U heeft dan verder vanuit de afvalstoffenwetgeving géén taak. Als er geen andere beperkingen of bezwaren zijn vanuit andere wetgeving zoals bijvoorbeeld de Kernenergiewet geeft u de zending vrij.
Situatie 2: er is géén geldige conformiteitsverklaring aanwezig.
Indien de conformiteitsverklaring ter zake van de aangifte in het vrije verkeer niet kan worden overlegt dient de aangifte gecorrigeerd te worden naar de juiste goederencode en moet de zending als afval worden beschouwd. De procedures van de EVOA zijn dan van toepassing. Er is dan sprake van een onregelmatigheid
5.4.4 Andere bijproducten en einde afvalstadium
Net zoals voor metaalschroot zal de Europese Commissie criteria vast stellen of een stof of voorwerp voldoet aan het begrip “Einde afval fase”. Als deze criteria voor een bepaalde groep afvalstoffen is vastgesteld wordt deze gepubliceerd in een Verordening. Bepaalde andere specifieke afvalstoffen dan metaalschroot zijn niet langer afval als ze een behandeling hebben ondergaan en voldoen aan bepaalde voorwaarden (artikel 6 van de richtlijn).
- De Verordening (EU) Nr. 715/2013 van 25 juli 2013 die criteria vast stelt wanneer koperschroot niet langer als afval wordt aangemerkt.
- De Verordening (EU) Nr. 1179/2012 van 10 december 2012 die criteria vast stelt wanneer kringloopglas niet langer als afval wordt aangemerkt
In de toekomst zullen er meer criteria volgens artikel 6 van de Richtlijn worden vastgesteld, bijvoorbeeld voor wanneer teruggewonnen papier niet langer als afval wordt aangemerkt.
5.4.5 Op welke afvalstoffen is de EVOA niet van toepassing?
Niet alle afvalstoffen vallen onder werkingssfeer van de EVOA (EVOA, artikel 2, lid 2). Voor bepaalde afvalstoffen zijn in internationale verdragen andere regels opgesteld, bijvoorbeeld het Euratom-verdrag en het Antarctica-verdrag. Voor afvalstoffen die onder de werkingssfeer van deze verdragen vallen, zijn er aparte regels voor het vervoer, de nuttige toepassing of de verwijdering van afvalstoffen.
U neemt altijd contact op met de vraagbaak Afvalstoffen als u vermoedt dat één van de hieronder genoemde uitzonderingen van toepassing is.
Op een aantal overbrengingen van afvalstoffen is de EVOA niet van toepassing:
- door de gewone exploitatie van schepen en offshore-platforms voortgebrachte afvalstoffen, waaronder afvalwater en residuen, totdat die afvalstoffen worden gelost met het oog op nuttige toepassing of verwijdering, voor zover de afvalstoffen onderworpen zijn aan de voorschriften van Richtlijn (EU) 2019/883 van het Europees Parlement en de Raad
- afvalstoffen die aan boord van voertuigen, treinen, vliegtuigen en schepen zijn voortgebracht, totdat die afvalstoffen worden gelost met het oog op nuttige toepassing of verwijdering;
- overbrenging van radioactief afval zoals gedefinieerd in artikel 5 van Richtlijn 2006/117/Euratom van de Raad;
- de overbrenging van dierlijke bijproducten en afgeleide producten zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 1) respectievelijk punt 2), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, met uitzondering van dierlijke bijproducten of afgeleide producten die zijn vermengd of verontreinigd met afvalstoffen die in de in artikel 7 van Richtlijn 2008/98/EG genoemde lijst van afvalstoffen als gevaarlijk zijn vermeld;
- de overbrenging van afvalwater vallend onder Richtlijn 91/271/EEG van de Raad (2) of andere relevante Uniewetgeving;
- de overbrenging van afvalstoffen die bestemd zijn voor gebruik als voedermiddelen zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 2, punt g), van Verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad (3) en die geen dierlijke bijproducten bevatten of daaruit bestaan;
- de overbrenging van afvalstoffen van het Zuidpoolgebied naar de Unie in overeenstemming met de voorschriften van het Protocol betreffende milieubescherming bij het Verdrag inzake Antarctica;
- de overbrenging van koolstofdioxide met het oog op geologische opslag in overeenstemming met Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad;
- schepen die de vlag voeren van een lidstaat en die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 1257/2013 vallen, met uitzondering van schepen:
i) die worden beschouwd als gevaarlijke afvalstoffen, die zich bevinden in een gebied onder de rechtsmacht van een lidstaat en die voor nuttige toepassing uit de Unie worden uitgevoerd, waarop uitsluitend de artikelen 39, 48 en 49 en titel VII van deze verordening van toepassing zijn, of
ii) die worden beschouwd als afvalstoffen, die zich bevinden in een gebied onder de rechtsmacht van een lidstaat en die bestemd zijn voor verwijdering.
5.4.6 Aanwijzingen voor onderkennen van afvalstoffen
Alle goederen kunnen in principe afvalstoffen zijn. Het gaat erom of de houder van een voorwerp zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen van dat voorwerp.
Voor het onderkennen van de mogelijkheid dat u met afvalstoffen te maken heeft, kunnen verschillende indicatoren van belang zijn in de aanwezige bescheiden en documenten:
- de goederencode
- de omschrijving van de goederen
- de waarde van de goederen
- het land van bestemming bij uitvoer
Aangiften en bescheiden (zoals facturen, contracten, CMR's en vrachtbrieven) bevatten vaak informatie aan de hand waarvan het risico van aanwezigheid van afvalstoffen kan worden onderkend.
Een methode is gebruik van Vo 2016/1245. Dit betreft een een voorlopige concordantietabel voor de codes van de gecombineerde nomenclatuur. In artikel 61 lid 7 van de EVOA is in het kort bepaald dat:
De Commissie is bevoegd om, door middel van uitvoeringshandelingen, een concordantietabel vast te stellen voor de codes van de gecombineerde nomenclatuur, en de vermeldingen van afvalstoffen vermeld in de lijst van de bijlagen III, III A, III B, IV en V bij deze verordening. Voorlopig heeft de commissie een Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1245 met een voorlopige concordantietabel en die blijft van kracht totdat de Commissie de in dit artikel bedoelde bevoegdheidsdelegatie uitoefent.
Helaas wordt deze verordening (concordantietabel) tot op heden (2026) niet actueel gehouden.
Verder kunnen op diverse bescheiden aanwijzingen staan waaruit kan worden geconcludeerd dat er afvalstoffen worden overgebracht. Dit kan niet limitatief zijn:
- Vermeldingen als "off spec", "Stortkosten of verwerkingskosten",
- verwijzingen naar de goederen als "schroot", "scrap", "RDF" (Refuse Derived Fuel brandstof geproduceerd uit verwerkt huisvuil en bedrijfsafval);
- Kwaliteitsindicaties van afvalstromen zoals bij koper Millbery, Bery en Candy etc;
- vermeldingen van "tweede hands", "re-use";
- vermeldingen als "raw material", "Plastic Granulate";
- Waardes die afwijken (lager) van normaal.
Verder kan de bestemming of de afkomst die op de bescheiden staan aanwijzingen zijn dat het om afvalstoffen gaat. Zo kun je eenvoudig op internet nagaan of een adres een verwerker is of al aan de omschrijving van de verzender of ontvanger afleiden dat het een verzamelaar danwel een ontvanger van afvalstoffen is.
Daarnaast kunnen de goederenstromen op zich aanleiding geven tot vermoeden van afval. Bijvoorbeeld indien er goederen uit een bedrijf komen die afwijkend zijn van de goederen waarmee zij adverteren en hun bedrijfsmodel op baseren. Bijvoorbeeld rubberbanden verkoop bij een vervoersbedrijf kan duiden dat de vervoerder van de banden af wil in plaats van dat zij banden kopen voor hun voertuigen.
Samengevat, bescheiden kunnen diverse aanwijzingen bevatten dat er afvalstoffen worden overgebracht. Uiteindelijk zullen de goederen vaak moeten worden bekeken of het ook overeenkomt met de beschrijvingen of het vermoeden. Blijf daarbij opletten dat de uiterlijke vorm niet doorslaggevend is of iets een afvalstof is of niet. Het gaat om het ontdoen ervan.
5.5 Vraag 2: Zijn de afvalstoffen bestemd voor verwijdering of nuttige toepassing?
5.5.1 Onderscheid verwijdering en nuttige toepassing
Bij de overbrenging van afvalstoffen maakt de EVOA een onderscheid tussen ’ verwijdering’ en ’ nuttige toepassing’ van de afvalstoffen.
Het onderscheid tussen verwijdering en nuttige toepassing is om twee redenen van belang:
- De overbrenging van afvalstoffen bestemd voor verwijdering naar landen buiten de Unie is in principe verboden. Op dit principe bestaat één uitzondering: de uitvoer naar de EVA-landen die ook partij zijn bij het Verdrag van Bazel (EVOA, artikel 34, lid 1); dit zijn IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland.
- Er zijn verschillende procedures bij de overbrenging van afvalstoffen van toepassing. De regels voor de overbrenging van afvalstoffen voor nuttige toepassing zijn anders dan die voor de verwijdering.
5.5.2 Verwijdering als doel van overbrenging
Voor de definitie van het begrip ‘verwijderen’ verwijst de EVOA (artikel 3) naar de Richtlijn 2008/98 (artikel 3 lid 19). Verwijdering is het vernietigen, op of in de bodem brengen, of anderszins definitief doen verwijderen van afvalstoffen.
Voor de EVOA-procedure is de aard van de voor verwijdering bestemde afvalstof niet van belang. Er wordt bij overbrenging van afvalstoffen met als doel verwijdering geen onderscheid gemaakt tussen groepen afvalstoffen. Voor de overbrenging van afvalstoffen met als doel verwijdering is er altijd maar één EVOA procedure mogelijk.
Voorlopige verwijdering
De EVOA (artikel 3, punt 2) verwijst naar de verwijderingshandelingen D 8, D9, D13, D14 en D15 als omschreven in bijlage I van Richtlijn 2008/98. Deze definitie betreft handelingen waaronder ook opslag, vermengen of verpakken vallen. In de praktijk bestaat de verwerking van afvalstoffen veelal uit diverse opeenvolgende behandelingen van afvalstoffen. Deze bewerkingsstappen kunnen op één locatie of ook op meer locaties en zelfs verspreid in verschillende landen binnen en buiten de Unie plaatsvinden.
Waar in dit voorschrift wordt gesproken over verwijdering wordt daar ook voorlopige verwijdering mee bedoeld.
5.5.3 Overzicht van verwijderingshandelingen
In bijlage I van de Richtlijn 2008/98 (de zogenaamde D-lijst) worden handelingen opgesomd die worden aangemerkt als een verwijdering. In alle gevallen moeten de afvalstoffen worden verwijderd zonder gevaar voor de gezondheid van de mens of nadelige gevolgen voor het milieu.
D-lijst
| Nummer | Omschrijving |
|---|---|
| D1 | Storten op of in de bodem (bijvoorbeeld op een vuilstortplaats enzovoorts). |
| D2 | Uitrijden (bijvoorbeeld biodegradatie van vloeibaar of slibachtig afval in de bodem enzovoorts). |
| D3 | Injectie in de diepe ondergrond (bijvoorbeeld injectie van verpompbare afvalstoffen in putten, zoutkoepels of natuurlijk gevormde holten enzovoorts). |
| D4 | Opslag in waterbekkens (bijvoorbeeld het lozen van vloeibaar of slibachtig afval in putten, vijvers of lagunes, enzovoorts). |
| D5 | Verwijderen op speciaal ingerichte locaties (bijvoorbeeld in afzonderlijke beklede, afgedekte cellen die onderling en van de omgeving afgeschermd zijn, enzovoorts). |
| D6 | Lozen in wateren, behalve zeeën en oceanen. |
| D7 | Verwijderen in zeeën en oceanen, inclusief inbrengen in de bodem. |
| D8 | Biologische behandeling op een niet elders in deze bijlage aangegeven wijze waardoor verbindingen of mengsels ontstaan die worden verwijderd op een van de onder D1 tot en met D12 vermelde methodes. |
| D9 | Fysisch-chemische behandeling op een niet elders in deze bijlage aangegeven wijze, waardoor verbindingen of mengsels ontstaan die worden verwijderd op een van de onder D1 tot en met D12 vermelde methodes (bijvoorbeeld verdampen, drogen, calcineren, enzovoorts). |
| D10 | Verbranding op het land. |
| D11 | Verbranding op zee. |
| D12 | Permanente opslag (bijvoorbeeld plaatsen van houders in mijnen, enzovoorts). |
| D13 | Vermengen vóór een van de onder D1 tot en met D12 vermelde behandelingen. |
| D14 | Herverpakken vóór een van de onder D1 tot en met D13 vermelde behandelingen. |
| D15 | Opslag in afwachting van een van de onder D1 tot en met D14 vermelde behandelingen (met uitsluiting van voorlopige opslag voorafgaande aan inzameling op de plaats van productie). |
De verwijderingscode die van toepassing is, moet in vak 11 van het vervoersdocument zijn vermeld.
5.5.4 Nuttige toepassing als doel van overbrenging
Voor de definitie van het begrip nuttige toepassing verwijst artikel 3 van de EVOA naar de Richtlijn 2008/98 (artikel 3, punt 15). Een ‘nuttige toepassing’ is het geschikt maken van afvalstoffen voor hergebruik als grondstof of hulpstof.
Afhankelijk van de aard en samenstelling van de afvalstoffen voor nuttige toepassing verschillen de criteria voor het geven van toestemming door een bevoegde autoriteit voor de overbrenging van deze afvalstoffen.
Afvalstoffen voor nuttige toepassingen zijn in de EVOA onderverdeeld in drie groepen. Hierin verschillen de afvalstoffen voor nuttige toepassing van afvalstoffen bestemd voor verwijdering die geen onderverdeling kent.
Voorlopige nuttige toepassing:
De EVOA (artikel 3, punt 3) verwijst naar de nuttige-toepassingshandelingen R 12 én R 13 als omschreven in bijlage II van Richtlijn 2008/98. Deze definitie betreft handelingen waaronder mede opslag, vermengen of verpakken vallen. In de praktijk bestaat de verwerking van afvalstoffen veelal uit diverse opeenvolgende behandelingen van afvalstoffen. Deze bewerkingsstappen kunnen op één locatie maar ook op meer locaties en zelfs verspreid in verschillende landen binnen en buiten de Unie plaatsvinden.
de ILT, Afdeling EVOA Vergunningen toetst niet alleen de voorlopige handeling maar ook de daarop volgende voorlopige dan wel definitieve nuttige toepassing. Hiertoe dienen bij de kennisgeving alle inrichtingen waar achtereenvolgens handelingen tot voorlopige verwijdering worden gepland, te worden vermeld met een beschrijving van de handelingen op de kennisgeving.
Deze definitie betreft handelingen waaronder ook opslag, vermengen of verpakken vallen. In de praktijk bestaat de verwerking van afvalstoffen veelal uit diverse opeenvolgende behandelingen van afvalstoffen. Deze bewerkingsstappen kunnen op één locatie maar ook op meer locaties en zelfs verspreid in verschillende landen binnen en buiten de Unie plaatsvinden.
Waar in dit voorschrift wordt gesproken over nuttige toepassing wordt daar ook voorlopige nuttige toepassing mee bedoeld.
5.5.5 Overzicht van nuttige toepassingen
In Richtlijn 2008/98 bijlage II (de zogenaamde R-lijst) worden de handelingen van ‘nuttige toepassing’ opgesomd zoals die in de praktijk plaatsvinden. De afvalstoffen moeten nuttig worden toegepast zonder gevaar voor de gezondheid van de mens of nadelige gevolgen voor het milieu. De code voor nuttige toepassing moet in vak 11 van het vervoersdocument en vak 8 van de Bijlage VII-informatie zijn vermeld.
R-lijst
| R1 | Hoofdgebruik als brandstof of een andere wijze van energieopwekking. |
| R2 | Terugwinning van oplosmiddelen. |
| R3 | Recycling/terugwinning van organische stoffen die niet als oplosmiddel worden gebruikt (met inbegrip van compostbemesting en bemesting met andere biologisch omgezette stoffen). |
| R4 | Recycling/terugwinning van metalen en metaalverbindingen. |
| R5 | Recycling/terugwinning van andere anorganische stoffen. |
| R6 | Terugwinning van zuren of basen. |
| R7 | Terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan. |
| R8 | Terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren. |
| R9 | Herraffinage van olie en ander hergebruik van olie. |
| R10 | Uitrijden voor landbouwkundige of ecologische verbetering. |
| R11 | Gebruik van afvalstoffen die bij een van de onder R1 tot en met R10 genoemde behandelingen vrijkomen. |
| R12 | Uitwisseling van afvalstoffen voor een van de onder R1 tot en met R11 genoemde behandelingen. |
| R13 | Opslag van afvalstoffen bestemd voor een van de onder R1 tot en met R12 genoemde behandelingen (met uitsluiting van voorlopige opslag voorafgaande aan inzameling op de plaats van productie). |
5.6 Vraag 3: In welke groep vallen afvalstoffen voor nuttige toepassing?
Afvalstoffen voor nuttige toepassing worden in drie groepen onderscheiden:
In de EVOA zelf zijn twee groepen afvalstoffen voor nuttige toepassing in de bijlagen opgenomen. De afvalstoffen die niet zijn opgenomen in deze bijlagen worden de ‘niet genoemde afvalstoffen’ genoemd. Welke EVOA-procedure voor de overbrenging van afvalstoffen voor nuttige toepassing van toepassing is, is afhankelijk van de indeling van deze afvalstoffen in één van deze groepen.
Indeling alleen relevant voor afvalstoffen voor nuttige toepassing
De indeling van afvalstoffen in deze groepen is alleen van belang voor afvalstoffen bestemd voor nuttige toepassing. Voor afvalstoffen voor verwijdering is deze indeling niet van belang en geldt slechts één EVOA-procedure.
Groenelijstafvalstoffen
- Bijlage III: Groene lijst van afvalstoffen.
- Bijlage IIIA: Mengsels van twee of meer groene lijst van afvalstoffen van bijlage III die niet onder één code vallen.
- Bijlage IIIB: Aanvullende afvalstoffen van de groene lijst in afwachting van opname in de bijlagen van het Verdrag van Bazel of het OESO-Besluit.
De kleur groen geeft aan dat in principe er een lage milieubelasting bestaat bij nuttige toepassing van de in deze lijst opgenomen afvalstoffen.
Oranjelijstafvalstoffen
- Bijlage IV: Oranje lijst afvalstoffen.
De kleur oranje geeft aan dat bij nuttige toepassing van de op deze lijst vermelde stoffen er een grotere milieubelasting bestaat.
Bijlage V van de EVOA
Bijlage V (EVOA): dit is de lijst van (gevaarlijke) afvalstoffen waarvoor een uitvoerverbod naar niet-OESO-landen EVOA (artikel 39) geldt.
Niet genoemde afvalstoffen
In de EVOA zelf zijn de groepen afvalstoffen in de bijlagen opgenomen. De afvalstoffen die niet zijn opgenomen in één enkele code van die bijlagen worden de ‘niet genoemde afvalstoffen’ genoemd (artikel 4, lid 2, letter b, EVOA).
Mengsel van afvalstoffen
Dit zijn volgens de EVOA (artikel 3, punt 1) afvalstoffen die het resultaat zijn van
een opzettelijke of onopzettelijke vermenging van twee of meer verschillende afvalstoffen die:
- zijn opgenomen in verschillende posten in de bijlagen III, III A,
III B en IV of, indien van toepassing, in verschillende streepjes
of substreepjes van die posten, of - niet onder één enkele code van bijlage III, III A, III B of IV
vallen.
Afvalstoffen in één overbrenging, bestaande uit twee of meer afvalstoffen, waarbij elke afvalstof gescheiden is, is geen mengsel van afvalstoffen.
In de EVOA zijn de lijsten voor het belangrijkste deel gebaseerd op de afvalstoflijsten uit het verdrag van Bazel. Deze lijsten zijn op enkele punten aangevuld en aangepast op grond van de OESO—lijsten.
Welke EVOA-procedure van toepassing is voor de overbrenging van afvalstoffen voor nuttige toepassing, is afhankelijk van de indeling van deze afvalstoffen in één van deze groepen.
5.6.1 Groenelijstafvalstoffen
De groenelijstafvalstoffen voor nuttige toepassingen geven de minste milieubelasting en zijn niet gevaarlijk voor volksgezondheid. De groenelijstafvalstoffen zijn in de EVOA opgenomen als:
- Bijlage III: Groene lijst van afvalstoffen.
- Bijlage IIIA: Mengsels van twee of meer groene lijst van afvalstoffen van bijlage III die niet onder één code vallen. Het gaat om een lijst van mengsels van groenelijstafvalstoffen die ook als groene lijst kunnen worden overgebracht maar er gelden eisen ten aanzien van HET MILIEUHYGIËNISCH VERANTWOORD BEHEER
- ERVAN.
- Bijlage IIIB: Aanvullende afvalstoffen van de groene lijst in afwachting van opname in de bijlagen van het Verdrag van Bazel of het OESO-Besluit.
Voor deze groep afvalstoffen zijn minder beperkende bepalingen in de EVOA dan voor gevaarlijke afvalstoffen. Als de overbrenging van groenelijstafvalstoffen betrekking heeft op invoer is geen kennisgevingsprocedure vereist, maar moet er wel Bijlage VII-informatie aanwezig zijn bij het transport.
Als de overbrenging van groenelijstafvalstoffen betrekking heeft op de uitvoer kan wel een bepaalde EVOA-procedure van toepassing zijn.
Bijlage III is opgebouwd uit twee delen
- Deel 1 van Bijlage III bevat een verwijzing naar de afvalstoffencodes van Bijlage IX van het Verdrag van Bazel.
De inhoud van Bijlage IX is opgenomen in Bijlage V deel 1 , lijst B van de EVOA. Bijvoorbeeld code B 1010: dit zijn oude metalen en metaallegeringen in metallische, niet-verspreidbare vorm. - Deel 2 van Bijlage III bevat een aantal afvalstoffen die geïdentificeerd worden met codes uit de afvalstoffenlijsten van de OESO. Bijvoorbeeld: GB040: dit zijn slakken verkregen bij de behandeling van edele metalen en koper, bestemd voor latere terugwinning. In Deel 2 wordt ook een verwijzing gegeven naar goederencodes waarin deze afvalstoffen soms kunnen worden ingedeeld. In dit geval zijn dit de goederencodes 7112 en 2620.
Let op!
Om te beoordelen of een afvalstof een groenelijstafvalstof is moet u Bijlage III én Bijlage V deel I lijst B van de EVOA raadplegen.
Deze codes moeten worden vermeld in vak 9 en 10 van de Bijlage VII-informatie de overbrenging aanwezig moet zijn en als er een kennisgeving gedaan moest zijn in vak 14 van het vervoersdocument.
Omdat interpretatie van deze lijsten niet kan zonder het raadplegen van de OESO- en Bazellijsten, heeft de ILT de groene en oranje lijst van afvalstoffen in één overzicht gepubliceerd. Dit overzicht van afvalstoffen is als bijlage 7 en bijlage 8 opgenomen.
Voorwaarden groenelijstafvalstoffen
De op de groene lijst opgenomen goederen worden niet meer beschouwd als groenelijstafvalstoffen maar als oranjelijst- of niet genoemde afvalstoffen als:
- deze zodanig met andere stoffen zijn verontreinigd dat zij een gevaar opleveren voor het milieu;
- de nuttige toepassing niet kan worden uitgevoerd op een milieu verantwoorde wijze;
- bepaalde afvalstoffen in een verspreidbare vorm voorkomen Onder verspreidbare vorm wordt verstaan: afval in de vorm van poeder, slib, stof of vaste materialen die gevaarlijke afvalstoffen in vloeibare vorm bevatten;
- afvalstoffen in de vorm van poeder, slurrie, stof of vaste voorwerpen die houders met gevaarlijke vloeibare afvalstoffen bevatten, worden niet als „niet-verspreidbaar" aangemerkt.
Nieuwe regels voor export plastic afval vanaf november 2026
Voor de uitvoer van kunststofafval gelden vanaf 21 november 2026 nieuwe regels. Er mocht alleen al schoon en gesorteerd kunststofafval dat geschikt is om direct gerecycled te worden nog uitgevoerd worden. De export van alle overige soorten kunststofafval zoals mengsels van diverse typen of vervuild kunststof, valt onder het exportverbod of de kennisgevingsplicht van de EVOA). Per 21 november 2026 is de uitvoer van B3010 verboden (artikel 39 lid 1 punt d) juncto artikel 86 lid 3 onder c) EVOA).
Toelichting begrip verspreidende vorm
Het begrip verspreidende vorm is niet in de milieuwetgeving gedefinieerd. Met de ILT is afgesproken dat voor uitleg van dit begrip aantekening 8b van afdeling XV van het douanetarief wordt gehanteerd:
poederstoffen die voor 90 of meer gewichtsprocenten door een zeef met een maaswijdte van 1 mm gaan.
Het Douane Laboratorium kan dit vaststellen.
5.6.2 Oranjelijstafvalstoffen
Oranjelijstafvalstoffen zijn in het algemeen milieugevaarlijke afvalstoffen die ook bij nuttige toepassing een gevaar voor het milieu en de volksgezondheid kunnen vormen. Deze lijst is als Bijlage IV bij de EVOA opgenomen.
De afvalstoffen van de oranje lijst zijn in het algemeen afvalstoffen met chemische verbindingen of stoffen die een biologisch besmettende werking kunnen hebben (bijvoorbeeld fotochemicaliën en ziekenhuisafval). Het betreft meestal ook samengestelde afvalstoffen die uit veel fracties of onderdelen bestaan.
Voorbeeld
- breukglas uit glascontainers zijn groenelijstafvalstoffen;
- gebroken TL-buizen zijn oranjelijstafvalstoffen.
Een TL-lamp (fluorescentielamp) bestaat uit een glazen buis gevuld met een lagedruk-edelgas (vaak argon of krypton), een kleine hoeveelheid kwikdamp en een interne fosforcoating. Daar kun je niet meer spreken van "zuiver" glas.
Oranjelijstafvalstoffen
De oranjelijstafvalstoffen (Bijlage IV van de EVOA) is onderverdeeld in twee delen:
- Deel I bevat de afvalstoffen die zijn opgenomen in de bijlagen II en VIII van het Verdrag van Bazel.
De afvalstoffen van bijlage II van het Verdrag van Bazel zijn opgenomen in de tekst van deel I van Bijlage IV van de EVOA.
De afvalstoffen van bijlage VIII van het Verdrag van Bazel zijn opgenomen in Bijlage V, deel 1, lijst A van de EVOA; - Deel II bevat een aantal met name genoemde afvalstoffen.
Let op!
Om te beoordelen of een afvalstof een oranjelijstafvalstof is moet u dus Bijlage IV én Bijlage V deel I lijst A van de EVOA raadplegen.
Voor de overbrenging van oranjelijstafvalstoffen geldt een zwaardere procedure dan voor groenelijstafvalstoffen. De stoffen van de oranje lijst leveren bij een milieuverantwoorde behandeling geen acuut gevaar op voor het milieu of de volksgezondheid maar vereisen wel een streng toezicht. Er moet altijd de kennisgevingsprocedure worden gevolgd. Dit wordt verder uitgelegd bij het onderdeel procedures.
Stedelijk afval
Kennisgevingsprocedure is van toepassing op de overbrenging van gemengd stedelijk afval (Y46) dat is ingezameld van particuliere huishoudens, van andere afvalstoffenproducenten of van beide, alsook op gemengd stedelijk afval dat
een afvalverwerkingshandeling heeft ondergaan die de eigenschappen
ervan niet wezenlijk heeft veranderd. Dit geld ook voor uit afval gewonnen
brandstoffen (RDF, Refuse Derived Fuel) afkomstig van gemengd stedelijk afval, wanneer dat afval bestemd is voor nuttige toepassing. (artikel 4 lid 3 EVOA)
De overbrenging van dergelijke voor verwijdering bestemde afvalstoffen is verboden.
5.6.3 Niet genoemde afvalstoffen
Niet voor iedere afvalstof voor nuttige toepassing is internationaal overeenstemming bereikt over de indeling op één van de twee lijsten. Daarom moet altijd rekening worden gehouden met afvalstoffen die niet zijn opgenomen op de groene of oranje lijst. Deze afvalstoffen worden de ‘niet genoemde afvalstoffen’ genoemd.
Als er sprake is van niet genoemde afvalstoffen moet voor deze afvalstoffen de kennisgevingsprocedure worden gevolgd. De niet genoemde afvalstoffen worden per definitie behandeld als gevaarlijke afvalstoffen en vallen daarmee onder de meest strenge EVOA-procedure (artikel 4, lid 2, punt b) EVOA).
Als u bij de controle vermoedt dat u met een niet genoemde afvalstof van doen heeft, neemt u contact op met de vraagbaak Afvalstoffen. Voor deze afvalstoffen is de indeling altijd discutabel en standpunten aan veranderingen onderhevig. De vraagbaak Afvalstoffen neemt altijd contact op met ILT. De ILT bepaalt de uiteindelijke indeling. Deze beslissing is voor de Douane bindend.
5.7 Vraag 4: Vanuit welk land worden afvalstoffen ingevoerd of naar welk land uitgevoerd?
Afvalstoffen bestemd voor verwijdering
Bij invoer of uitvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen is de toepasselijke EVOA-procedure afhankelijk van het land waar de afvalstoffen vandaan komen dan wel naar worden uitgevoerd.
Invoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen
De invoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen vanuit landen die lid zijn van het Verdrag van Bazel is onder voorwaarde(n) toegestaan. Worden de afvalstoffen ingevoerd vanuit andere landen, dan geldt in principe een verbod.
Uitvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen
De uitvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen naar EVA-landen die ook lid zijn van het Verdrag van Bazel is onder voorwaarde toegestaan (EVOA, artikel 34). Worden de afvalstoffen naar andere landen uitgevoerd, geldt er een verbod.
Afvalstoffen voor nuttige toepassing
Voor de invoer en uitvoer van afvalstoffen voor nuttige toepassing is voor de toepasselijke EVOA-procedure van belang:
- wat is het land waarvan de afvalstoffen vandaan komen?
- wat is het land van bestemming?
- betreft het groenelijstafvalstoffen of oranjelijstafvalstoffen of niet genoemde afvalstoffen?
Invoer van afvalstoffen voor nuttige toepassing
De volgende situaties doen zich voor bij de invoer van afvalstoffen voor nuttige toepassing:
- Invoer van groenelijstafvalstoffen vanuit OESO-landen en landen die lid zijn van het Verdrag van Bazel. Dit mag onder de voorwaarde dat tijdens het transport de Bijlage VII-informatie bij het transport aanwezig is (EVOA, artikel 4, lid 4).
- Invoer van oranjelijstafvalstoffen en niet-genoemde afvalstoffen vanuit OESO-landen en landen die lid zijn van het Verdrag van Bazel. Dit is onder voorwaarden toegestaan (artikel 52 EVOA).
Uitvoer van afvalstoffen voor nuttige toepassing
De volgende situaties doen zich voor bij de uitvoer van afvalstoffen voor nuttige toepassing:
- Uitvoer van afvalstoffen naar niet-OESO-landen (artikel 39 EVOA).
- Uitvoer van groenelijstafvalstoffen naar niet-OESO-landen (artikel 40-43 EVOA) (de Landenlijst Vo.1418/2007 in combinatie met de oude bepaling (artikel 37 Vo. 1013/2006 "oude" EVOA) blijft nog tot 21 mei 2027 (artikel 85 lid 2 punt b) van kracht.
Daarna zal de commissie een lijst vast stellen van landen waarop het OESO-besluit niet van toepassing is die toegelaten inrichten hebben en die onder toezicht staan). - Uitvoer van afvalstoffen naar OESO-landen (artikel 44 - 47 EVOA).
5.7.1 Uitvoer van afvalstoffen voor nuttige toepassing naar niet-OESO-landen TOT 21 MEI 2027
Het vaststellen van het land van bestemming is van belang omdat de uitvoer van afvalstoffen voor nuttige toepassing van bijlage V van de EVOA in het algemeen verboden is (artikel 36 EVOA). Voor de Bazellanden geldt de zogenoemde ‘exportban’.
Werking van Bijlage V van de EVOA
Bijlage V bestaat uit 3 delen:
- Deel 1 bestaat uit de lijsten A en B.
- Lijst A bevat gevaarlijk afval zoals bedoeld in Bijlage VIII van het Verdrag van Bazel waarvoor een uitvoerverbod geldt.
- Lijst B is een lijst met niet-gevaarlijk afval zoals bepaald in Bijlage IX van het Verdrag van Bazel. Hiervoor geldt geen uitvoerverbod. Lijst B vertoont veel overeenkomsten met de groene lijst afvalstoffen maar is daaraan niet gelijk.
- Deel 2 is een lijst van afvalstoffen waarin de gevaarlijke afvalstoffen met een asterisk (*) zijn gemerkt. Voor deze afvalstoffen geldt een uitvoerverbod. Zijn de afvalstoffen niet gemerkt met een asterisk (*) wordt vervolgens deel 3 van bijlage V geraadpleegd. Komen de niet gevaarlijke afvalstoffen ook niet in deel 3 voor, dan is de uitvoer onder bepaalde voorwaarden toegestaan (artikel 37 Vo.1013/2006 EVOA).
- Deel 3 is een lijst met een aantal afvalstoffen waarvoor een uitvoerverbod geldt (artikel 36, lid 1, letter b Vo.1013/2006 EVOA).
Als een gevaarlijke afvalstof niet voorkomt in een van de drie delen van bijlage V geldt eveneens een uitvoerbod (artikel 36, lid 1, letter c Vo. 1013/2006 EVOA).
Uitvoer naar een niet-OESO land van afvalstoffen die onder Bijlage V, deel I, lijst A vallen, is verboden. De uitvoer van afvalstoffen uit deel B is in het algemeen niet verboden. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk.
Als een afvalstof niet in lijst A en in lijst B voorkomt (dus niet in deel 1) wordt gecontroleerd of de afvalstof voorkomt in de Deel 2 of 3 van Bijlage V.
Schema toepassing bijlage V van de EVOA
| Deel 1 Als een afvalstof niet voorkomt op lijst A of B, controleer dan of deze voorkomt op deel 2 of 3 | Lijst A | Gevaarlijke afvalstoffen: Hiervoor geldt een uitvoerverbod (artikel 36, lid 1, letter a Vo.1013/2006 EVOA). | ||||
| Lijst B | Geen gevaarlijke afvalstoffen Betreft het groenelijstafvalstoffen, pas bij uitvoer de Landenlijst Verordening toe. | |||||
| Deel 2 | Met * = Gevaarlijke afvalstoffen | Uitvoerverbod (artikel 36 Vo.1013/2006 EVOA) | ||||
| Zonder * = Niet-gevaarlijke afvalstoffen | Raadpleeg vervolgens deel 3, komen de niet-gevaarlijke afvalstoffen daarin ook niet voor dan onder voorwaarden de uitvoer toegestaan. | |||||
| Deel 3 | Uitvoerverbod (artikel 36, lid 1,letter b Vo.1013/2006 EVOA) |
Inschakelen vraagbaak Afvalstoffen
Als het noodzakelijk is om Bijlage V van de EVOA te raadplegen, wordt altijd contact opgenomen met de vraagbaak Afvalstoffen. De vraagbaak Afvalstoffen neemt, in verband met de complexiteit van de (sub)lijsten van bijlage V, contact op met het KCC. De ILT neemt de beslissing over de indeling van de afvalstoffen en de te volgen procedure.
5.7.2 Uitvoer van afvalstoffen voor nuttige toepassing naar OESO-landen
Groenelijstafvalstoffen
Bij de uitvoer van groenelijstafvalstoffen naar OESO-landen is vereist dat het transport vergezeld moet gaan van de Bijlage VII-informatie (artikel 44 EVOA).
Oranjelijst- en niet genoemde afvalstoffen
Voor afvalstoffen van de oranjelijst en niet genoemde afvalstoffen gelden meer eisen dan voor de groenelijstafvalstoffen. Voor deze overbrenging geldt de kennisgevingsprocedure (artikel 44 EVOA).
5.7.3 Uitvoer van groenelijstafvalstoffen naar niet-OESO-landen (landenlijst)
De niet-OESO-landen hebben op verzoek van de Europese Commissie aangeven of zij groenelijstafvalstoffen willen ontvangen, en zo ja, onder welke voorwaarden (artikel 37 Vo.1013/2006 EVOA). Het niet-OESO-land van bestemming kan met betrekking tot groenelijstafvalstoffen in de
Bijlage van de Verordening 1418/2007aangeven of zij:
- kolom a: de invoer verbiedt
In dat geval is er dus sprake van een uitvoerverbod. - kolom b: de invoer toestaat met toepassing van de kennisgevingsprocedure
Aanvullende nationale eisen van het land van bestemming kunnen in kolom d zijn vermeld. - kolom c: de invoer toestaat zonder controle
In dit geval moet de overbrenging vergezeld gaan van de Bijlage VII-informatie. Aanvullende nationale eisen van het land van bestemming kunnen in kolom d zijn vermeld. - kolom d: in deze kolom hebben de niet-OESO-landen van bestemming kunnen aangeven welke aanvullende eisen voor bepaalde afvalstoffen op basis van hun nationale wetgeving van toepassing zijn. De Douane voert geen specifieke controles uit op de in kolom d vermelde aanvullende eisen.
Voor landen die niet hebben gereageerd, geldt de kennisgevingsprocedure (artikel 37, lid 2 Vo.1013/2006 EVOA)
De Landenlijst
De Europese Commissie heeft de reacties van de niet-OESO-landen gepubliceerd in de Verordening 1418/2007. In de bijlage van deze verordening is per afvalstof en per niet-OESO-land van bestemming aangeven welke procedure van toepassing is
Let op!
Bij doorvoer van groenelijstafvalstoffen is de Landenlijst niet van toepassing
De Landenlijst is bij doorvoer niet van toepassing. Voor een groenelijstafvalstof blijven in het geval van doorvoer over het grondgebied van de Unie altijd de bepalingen voor de groenelijstafvalstoffen van toepassing. Ook als voor een niet-OESO-land van bestemming op de Landenlijst is aangegeven dat voor die groenelijstafvalstof een zogenaamde kennisgevingsprocedure geldt. Met andere woorden: de Landenlijst is alleen van toepassing bij de uitvoer van groenelijstafvalstoffen en niet bij de doorvoer van groenelijstafvalstoffen.