4 Accijnsgoederen buiten een accijnsschorsingsregeling
4.1 Voorhanden hebben buiten een accijnsschorsingsregeling
Als accijnsgoederen voorhanden worden gehouden of opgeslagen worden buiten een accijnsschorsingsregeling en er is over deze goederen geen accijns geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving, dan is sprake van uitslag tot verbruik artikel 2, eerste lid, onderdeel b, WA).
4.1.1 Belastingplichtige
Indien er sprake is van uitslag tot verbruik als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, WA zijn de volgende personen belastingplichtige (artikel 51, eerste lid, onderdeel b, WA):
- de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of opslaat en
- enig andere persoon die bij het voorhanden hebben of opslaan daarvan betrokken is. Dit laatste betekent dat ook een persoon die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen,
als belastingplichtige kan worden aangemerkt. Dit betekent dat de accijns dus ook kan worden geheven van bij voorbeeld de handlangers van degene die de accijnsgoederen feitelijk voorhanden heeft of van het brein achter een fraude. Die betrokkenheid is niet beperkt tot het feitelijke logistieke proces, zoals bijvoorbeeld vervoer en opslag, maar ziet op alle activiteiten waarmee dit voorhanden hebben wordt gefaciliteerd, dus ook bijvoorbeeld de administratieve en financiële afwikkeling van een proces, het beschikbaar stellen van ruimtes, het opmaken van facturen en innen van gelden etc. Zie Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch zaaknr. ECLI:NL:GHSHE:2019:162. De WA vereist niet dat deze personen wisten of redelijkerwijs hadden moeten weten dat de goederen niet in de heffing zijn betrokken (het zogenoemde wetenschapsvereiste).
4.1.2 Tijdstip van uitslag tot verbruik
Het tijdstip waarop bij de uitslag tot verbruik zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, WA de accijns verschuldigd wordt is het tijdstip van de aanvang van het voorhanden hebben (artikel 52, tweede lid, onderdeel a, WA). In de praktijk zal het exacte tijdstip van de aanvang van het voorhanden hebben vaak niet bekend zijn. In die gevallen wordt als tijdstip waarop de accijns verschuldigd wordt het tijdstip van het constateren van het voorhanden hebben genomen.
De accijns wordt berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip van uitslag tot verbruik (artikel 55, eerste lid, WA).
4.1.3 Aangifte en betaling van de accijns
Voor het voorhanden hebben of in opslag hebben van accijnsgoederen buiten een accijnsschorsingsregeling is in artikel 53a, eerste lid, onderdeel a, WA bepaald dat aangifte moet worden gedaan uiterlijk op de dag na de dag van de aanvang van het voorhanden hebben of in opslag hebben. De belastingplichtige moet de accijns uiterlijk op de dag na dat tijdstip voldoen. Er moet een dagaangifte worden gedaan.
4.2 De productie van accijnsgoederen buiten een accijnsschorsingsregeling
In artikel 5, eerste lid, onderdeel a, WA is aangegeven dat accijnsgoederen niet buiten een AGP geproduceerd of verwerkt mogen worden. Indien dit wel gebeurt, is er sprake van onregelmatige productie buiten een accijnsschorsingsregeling. Op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, WA is dan sprake van uitslag tot verbruik. Er zijn enkele uitzonderingen opgenomen in artikel 5, derde lid, WA, van situaties waarin de productie of verwerking van accijnsgoederen wel buiten een AGP mag plaatsvinden.
4.2.1 Belastingplichtige
Indien accijnsgoederen buiten een AGP geproduceerd of verwerkt worden, kunnen er verschillende belastingplichtigen zijn (artikel 51, eerste lid, onderdeel c WA):
- de persoon die de accijnsgoederen produceert.
Dit geldt zowel bij regelmatige als onregelmatige productie;
- indien er sprake is van onregelmatige productie:
enig andere persoon die bij de productie van de accijnsgoederen betrokken is geweest. Dit betekent dat eenieder die betrokken is bij de productie ook als belastingplichtige aangemerkt kan worden.Dit zijn bijvoorbeeld de personen die de locatie beschikbaar hebben
gesteld of de personen die gezorgd hebben voor de grondstoffen (het wetenschapsvereiste is geen voorwaarde om deze personen als belastingplichtige te kunnen aanmerken).
Voor de toepassing van de WA is nagenoeg elke productie buiten een AGP onregelmatig (artikel 5, derde lid, WA noemt enkele uitzonderingen). In dat geval kan de accijns worden geheven zowel van degene die produceert als van eenieder die bij die productie betrokken is geweest.
4.2.2 Tijdstip ontstaan verschuldigdheid
Bij de productie van accijnsgoederen buiten een AGP wordt de accijns verschuldigd op het tijdstip van de productie (artikel 52, tweede lid, onderdeel b, WA). Als er geen productie wordt geconstateerd is er sprake van het voorhanden hebben buiten een AGP (zie paragraaf 4.1.)
De accijns wordt berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip van uitslag tot verbruik ( artikel 55, eerste lid, WA).
4.2.3 Aangifte en betaling van de accijns
In artikel 53a, eerste lid, onderdeel c, WA wordt verwezen naar artikel 52, tweede lid, onderdeel b, WA voor wat betreft het tijdstip van het ontstaan van de verschuldigdheid. In artikel 53a, eerste lid, onderdeel c, WA is voorts aangegeven dat de accijns uiterlijk op de dag na het tijdstip waarop de verschuldigdheid ontstaat moet worden voldaan. Er moet dus een dagaangifte worden gedaan.
4.3 Onjuist voorhanden hebben of gebruik van minerale oliën waaraan herkenningsmiddelen zijn toegevoegd
Het in strijd met wettelijke bepalingen voorhanden hebben, opslaan of gebruiken van minerale oliën die voorzien zijn van herkenningsmiddelen wordt aangemerkt als uitslag tot verbruik (artikel 2, vierde lid, WA).
Een voorbeeld hiervan is het gebruik van gasolie die van herkenningsmiddelen is voorzien (rode diesel) als motorbrandstof in een personenauto of vrachtauto.
In artikel 1a, derde lid, WA is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat aan minerale olie bij ministeriele regeling, onder daarbij te stellen voorwaarden, herkenningsmiddelen mogen worden toegevoegd. In artikel 13 URA is dat gebeurd.
Artikel 91 WA bevat de verbodsbepaling van het voorhanden hebben van minerale olie die is voorzien van herkenningsmiddelen en artikel 100 WA de strafbepaling. In artikel 91, WA wordt tevens aangegeven, dat er enkele uitzonderingen gelden.
4.3.1 Belastingplichtige
Indien er sprake is van het in strijd met wettelijke bepalingen voorhanden hebben of gebruiken van minerale oliën die voorzien zijn van herkenningsmiddelen, is degene die de minerale olie voorhanden heeft of gebruikt de belastingplichtige (artikel 51, eerste lid, onderdeel e, WA).
4.3.2 Tijdstip ontstaan verschuldigdheid
Bij het in strijd met wettelijke bepalingen voorhanden hebben of gebruiken van minerale
oliën die voorzien zijn van herkenningsmiddelen wordt de accijns verschuldigd op het tijdstip van de aanvang van het voorhanden hebben of in opslag hebben of het gebruik van de minerale oliën (artikel 52, derde lid, onderdeel a, WA). Aangezien er sprake is van een onregelmatige handeling zal het exacte tijdstip van de aanvang van het voorhanden hebben, in opslag hebben of het gebruik vaak niet bekend zijn. In die gevallen wordt als tijdstip waarop de accijns verschuldigd wordt het tijdstip van het constateren van de onregelmatigheid genomen.
Let op
In dit kader wordt de accijns berekend als het verschil tussen het bedrag aan accijns dat is geheven en het bedrag dat zou zijn geheven indien geen herkenningsmiddelen zouden zijn toegevoegd (artikel 55, tweede lid, WA).
4.3.3 Aangifte en betaling van de accijns
In artikel 53a, eerste lid, onderdeel b, WA wordt verwezen naar artikel 52, derde lid, onderdeel a, WA voor wat betreft het tijdstip van verschuldigdheid. In artikel 53a, eerste lid, onderdeel b, WA is voorts vermeld dat in die situatie de accijns uiterlijk op de dag na het tijdstip waarop de verschuldigdheid ontstaat moet worden voldaan. Er moet dus een dagaangifte worden gedaan.