Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

2 Heffingen bij uitvoer van landbouwgoederen

2.1 Algemeen

De instelling van een uitvoerheffing gebeurt bij verordening. Het bedrag van de uitvoerheffing is voor de hele Unie gelijk. De hoogte van de heffing kan afhankelijk zijn van de bestemming (dit heet gedifferentieerde heffing).

Als een uitvoerheffing wordt ingesteld, wordt u daarvan via een mededeling op DouaneNet op de hoogte gebracht. Voor de betreffende goederen zal een profiel worden ingesteld in het aangiftesysteem.

In Verordening (EEG) nr. 120/89 zijn de gemeenschappelijke bepalingen opgenomen voor de toepassing van de uitvoerheffingen van landbouwproducten.

Uitvoerheffingen gelden bij elke definitieve of tijdelijke uitvoer uit het douanegebied van de Unie van:

  • producten die zich in het vrije verkeer van de Unie bevinden
  • producten die zich niet in het vrije verkeer van de Unie bevinden, maar die bestanddelen bevatten waarvoor de volgende voorwaarden gelden:
    • Voor de bestanddelen gelden uitvoerheffingen en
    • De bestanddelen bevonden zich geheel of gedeeltelijk in het vrije verkeer, voordat zij bij de vervaardiging van de uitgevoerde producten werden gebruikt. Het gaat dan bijvoorbeeld om bestanddelen uit het vrije verkeer die worden verwerkt in goederen die zijn geplaatst onder de regeling actieve veredeling (schorsingssysteem).
      (artikel 2 Verordening (EEG) nr. 120/89)

Als een uitvoerheffing is vastgesteld, is deze niet van toepassing op:

  • gevallen waarvoor op grond van Titel III van Verordening (EG) nr.1186/2009 vrijstelling van rechten bij uitvoer wordt verleend. Het betreft hier bijvoorbeeld zendingen met een te verwaarlozen waarde
  • producten die in de Unie voor bevoorrading aan boord worden gebracht van zeeschepen of luchtvaartuigen in gebruik voor het verkeer op internationale lijnen. Voorwaarde is wel dat de hoeveelheid van die producten beperkt blijft tot de normale behoeften voor het gebruik aan boord van die schepen of luchtvaartuigen
  • producten bestemd voor de strijdkrachten van een lidstaat die buiten het douanegebied van de Unie zijn gelegerd
  • kleine zendingen zonder handelskarakter, als het gewicht van de belastbare producten niet meer dan drie kilogram per zending bedraagt
  • producten in de persoonlijke bagage van reizigers, als het gewicht van de belastbare producten niet meer dan drie kilogram per reiziger bedraagt
Let op!  Let op!

Wanneer producten bestemd zijn voor de strijdkrachten van een lidstaat, die buiten het douanegebied van de Unie zijn gelegerd, is het niet toepassen van een uitvoerheffing alleen mogelijk indien:

  • de betrokken strijdkrachten een bewijs afgeven waarin de bestemming van de betreffende producten is aangegeven
  • de betrokken strijdkrachten waarborgen kunnen bieden voor de aankomst van de producten op de plaats van bestemming
    (artikel 3 Verordening (EEG) nr. 120/89)

In verordeningen kunnen specifieke bepalingen zijn opgenomen waardoor de uitvoerheffing niet wordt toegepast bij uitvoer in het kader van voedselhulp. Dit moet blijken uit het uitvoercertificaat.

2.1.1 Hoogte van de uitvoerheffing

Bij uitvoer is de heffing van toepassing die geldt op de dag van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer, tenzij de uitvoerheffing vooraf is vastgesteld of in het kader van een inschrijving is bepaald.

Uiterlijk zestig dagen na de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer moeten de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten. Zo niet, dan kan de 'hoogste heffing' van toepassing zijn. De termijn van zestig dagen wordt door de Douane bewaakt (zie ook paragraaf 2.2.2).

Hoogste heffing

Het begrip 'hoogste heffing' houdt in: de hoogste uitvoerheffing (uitgedrukt in euro's) die voor het product en de bestemming heeft gegolden in de periode waarin de heffingen zijn vergeleken.

De hoogste heffing is, afgezien van overmacht, in de volgende situaties van toepassing:

  • De betreffende producten hebben het douanegebied van de Unie pas na de zestigste dag verlaten.
  • Het bewijs dat de producten het douanegebied van de Unie hebben verlaten (Conformation of Exit), wordt niet geleverd binnen twaalf maanden, gerekend vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte.

In die gevallen geldt de hoogste van de volgende uitvoerheffingen:

  • De heffing die gold in de periode van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer tot en met de datum waarop de producten het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
  • De eventueel vooraf vastgestelde heffing.

De instantie, die de uitvoerheffing int, controleert de termijnen van zestig dagen respectievelijk twaalf maanden. Als niet aan de termijnen wordt voldaan, stelt deze instantie vast of er sprake is van overmacht.

Overige situaties

In overige situaties dan bedoeld in artikel 4 van Verordening (EEG) nr.120/89 geldt de volgende procedure voor het vaststellen van de hoogte van de uitvoerheffing.

Bij overschrijding van de termijn van zestig dagen ontstaat een douaneschuld bij de aangever op grond van artikel 81 DWU. Deze douaneschuld wordt berekend volgens het tarief van de 'hoogste heffing'. Dit gebeurt op basis van de gegevens die in de aanvaarde aangifte ten uitvoer zijn vermeld.

Door het niet in acht nemen van de gestelde termijn voor uitvoer wordt de aangifte ten uitvoer ongeldig (artikel 148, lid 5, GVo. DWU).

Vanaf de dag dat een uitvoerheffing is ingesteld, brengt het douanekantoor van uitgang het douanekantoor van uitvoer op de hoogte van de datum waarop de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten. Dit gebeurt door vermelding van de volgende clausule:

'Toepassing van artikel 4bis van Verordening (EEG) nr. 120/89'.
(artikel 4bis Verordening (EEG) nr. 120/89)

2.1.2 Gedifferentieerde uitvoerheffingen

Er kan sprake zijn van een gedifferentieerde uitvoerheffing. Dan wordt de heffing opgelegd die geldt voor de aangegeven bestemming.

Zekerheid stellen

Voor een verschil tussen de toegepaste heffing en de hoogste heffing die op de dag van uitvoer geldt, moet de aangever zekerheid stellen om de inning van de heffing te verzekeren voor het geval de goederen de aangegeven bestemming niet bereiken. De aangever moet dit doen bij de inspecteur bij wie de heffing is betaald of zekerheid is gesteld.

Bewijs van invoer

Als de zekerheid is gesteld, moet de exporteur binnen twaalf maanden na aanvaarding van de aangifte ten uitvoer het bewijs leveren dat het product in het land van bestemming is ingevoerd.

Het bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer zijn vervuld, wordt geleverd door overlegging van een van de volgende documenten naar keuze van de exporteur:

a) het douanedocument, een kopie of een fotokopie daarvan, of een print van gelijkwaardige informatie die elektronisch door de bevoegde douaneautoriteit is geregistreerd; die kopie, fotokopie of print moet voor eensluidend zijn gewaarmerkt door:

i) de instantie die het origineel heeft geviseerd of de gelijkwaardige informatie elektronisch heeft geregistreerd,

ii) een officiële dienst van het betrokken derde land,

iii) een officiële dienst van een lidstaat in het betrokken derde land, of

iv) een met de betaling van de restitutie belast orgaan;

b) een verklaring van lossing en invoer die door een erkende, op internationaal niveau in controle en toezicht gespecialiseerde firma is opgesteld.

In de betrokken verklaring moeten de datum en het nummer van het douanedocument van invoer worden vermeld.

Voor de voorwaarden en het model van de verklaring wordt verwezen naar Bijlage 1 van dit onderdeel.

Als de exporteur het bewijs van invoer niet binnen twaalf maanden levert, wordt aangenomen dat de producten zijn aangekomen op de bestemming waarvoor de hoogste heffing geldt. De zekerheid wordt dan als uitvoerheffing verbeurd.
Bij overmacht kan de termijn van twaalf maanden worden verlengd. Dit kan alleen als de exporteur het nodige heeft gedaan om de bewijzen binnen de termijn te verkrijgen. De instantie waar de zekerheid is gesteld, verlengt de termijn voor de duur die zij wegens de aangevoerde omstandigheden nodig acht.

Als de exporteur het bewijs van invoer tijdig levert, wordt de zekerheid vrijgegeven (afhankelijk van de bereikte bestemming en de hoeveelheden waarvoor het bewijs is geleverd). Als de zekerheid niet of slechts gedeeltelijk wordt vrijgegeven, wordt het niet-vrijgegeven bedrag als uitvoerheffing verbeurd.

Als de exporteur tijdig het bewijs levert dat het product een bestemming heeft bereikt waarvoor het bedrag van de heffing lager is dan het geheven bedrag, wordt het te betalen bedrag aangepast en de eventueel gestelde zekerheid vrijgegeven.
(artikel 5 Verordening (EEG) nr. 120/89)

Zie onderdeel 27.00.00, van het Handboek Douane voor de zekerheidstelling voor het bedrag van de douaneschuld.

2.1.3 Verhoging uitvoerheffing

Als de aangever het bewijs van uitgang (zie ook paragraaf 2.1.1) en het bewijs van invoer (zie ook paragraaf 2.1.2) binnen zes maanden na afloop van de termijn van twaalf maanden indient, bestaat de uitvoerheffing uit het totaal van:

  1. de heffing die zou zijn betaald als de termijn van twaalf maanden in acht zou zijn genomen
  2. een verhoging met 15% van het verschil tussen de betaalde heffing en het bedrag vermeld onder a
    (artikel 6 Verordening (EEG) nr. 120/89)
Let op!  Let op!

De verhoging wordt niet toegepast als de termijn van twaalf maanden door de inspecteur is verlengd.

2.1.4 Uitnodiging tot betaling

Als er een douaneschuld ontstaat, verzendt de inspecteur een uitnodiging tot betaling aan de aangever. Een douaneschuld bij uitvoer ontstaat bij:

  • uitvoer uit het douanegebied van de Unie met een aangifte ten uitvoer
  • uitvoer uit het douanegebied van de Unie zonder aangifte ten uitvoer
  • niet nakomen van de voorwaarden die gelden voor vrijstelling van rechten bij uitvoer, terwijl op die vrijstelling wel aanspraak is gemaakt
    (zie artikelen 81 en 82 DWU)

2.1.5 Terugbetaling of kwijtschelding

Voor terugkerende goederen waarvoor rechten bij uitvoer zijn geheven, is de terugbetaling of kwijtschelding aan bepaalde voorwaarden gebonden.
(artikel 204 DWU en artikel 159 GVo.DWU)

Uitvoer van goederen na verzoek tot terugbetaling of kwijtschelding

Goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht en waarvoor een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer is ingediend, kunnen opnieuw worden uitgevoerd. Als voor die goederen een uitvoerheffing is vastgesteld, moet de aangever voor de uit te voeren goederen een zekerheid stellen die gelijk is aan die van de uitvoerheffing . Voor de zekerheid geldt het volgende:

  • De zekerheid wordt vrijgegeven als op de aanvraag om terugbetaling of kwijtschelding van de heffingen bij invoer gunstig wordt beschikt.
  • De zekerheid wordt als uitvoerheffing verbeurd als beide hieronder genoemde situaties van toepassing zijn:
    • Op het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding van de heffingen bij invoer wordt niet gunstig beschikt.
    • De uitvoerheffing is niet betaald binnen dertig dagen na de dag van het verzoek om betaling.
  • (artikel 11 Verordening (EEG) nr. 120/89)

2.2 Procedures en ambtelijke werkzaamheden

In deze paragraaf staan de procedures en ambtelijke werkzaamheden beschreven die gelden als een aangifte ten uitvoer wordt ingediend voor goederen waarvoor een uitvoerheffing is vastgesteld.

2.2.1 Afhandelen aangifte ten uitvoer

De procedures voor de aangifte ten uitvoer van goederen met uitvoerheffingen wijken niet af van die van de 'normale' uitvoer. Deze procedures staan beschreven in onderdeel 20.00.00, (Uitvoer) van het Handboek Douane.

Uitvoercertificaat

Voor goederen waarvoor een uitvoercertificaat is voorgeschreven, moet de aangever dit uitvoercertificaat bij de aangifte ten uitvoer overleggen. Informatie over het al dan niet overleggen van een uitvoercertificaat is opgenomen in het gebruikstarief. Als de uitvoerheffing vooraf is vastgesteld, moet de aangever als bewijs daarvoor een certificaat met vaststelling vooraf van de uitvoerheffing overleggen.

Goederen waarvoor een uitvoerheffing is vastgesteld, worden geacht zich na het aanvaarden van de aangifte ten uitvoer niet langer in het vrije verkeer van de Unie te bevinden.
(artikel 7, Verordening (EEG) nr. 120/89)

Deze goederen worden op de gebruikelijke wijze onder dekking van de aangifte ten uitvoer vervoerd naar het laatste kantoor. Zie voor meer informatie onderdeel 23.00.00 van het Handboek Douane.

2.2.2 Bevestigen uitgaan uit de Unie

In onderdeel 23.00.00 (Uitgaan) van het Handboek Douane wordt het uitgaan van de goederen uit de Unie behandeld. Specifiek in paragraaf 2.6.2. van onderdeel 23.00.00 is de bevestiging van het uitgaan van goederen onder dekking van een aangifte ten uitvoer beschreven.

2.2.3 Zekerheid stellen bij gedifferentieerde uitvoerheffing

Werkzaamheden kantoor van uitvoer bij aanvaarding/verificatie

Als u vaststelt dat naast het betalen van een uitvoerheffing ook zekerheid gesteld moet worden, deelt u dit mee aan de aangever. Voor de procedure wordt verwezen naar paragraaf 4.2 van onderdeel 27.00.00 van het Handboek Douane.

Werkzaamheden kantoor van uitvoer na uitgang van de goederen

Nadat de goederen het grondgebied van de Unie hebben verlaten, wordt de bevestiging van het uitgaan van de goederen aan de aangever verstrekt op de wijze, zoals is beschreven in paragraaf 2.6 e.v. van onderdeel 23.00.00 van het Handboek Douane.

Als er zekerheid is gesteld omdat er sprake is van een gedifferentieerde uitvoerheffing, moet de exporteur binnen twaalf maanden na aanvaarding van de aangifte ten uitvoer het bewijs leveren dat het product in het land van bestemming is ingevoerd. Zie hiervoor paragraaf 2.1.2. van dit onderdeel.

Als de exporteur het bewijs van invoer van alle ten uitvoer aangegeven goederen binnen twaalf maanden levert, wordt de zekerheid vrijgegeven.

Voor het vrijgeven van de zekerheid gaat u als volgt te werk:
  1. Neem het bewijs van invoer van de aangever in ontvangst.
  2. Beoordeel de echtheid van het bewijs van invoer. Informeer bij de betreffende afdeling van RVO.nl als u twijfelt aan de echtheid van het bewijs van invoer.
  3. Geef na acceptatie van het bewijs van invoer de zekerheid voor de zending vrij. Voor de procedure wordt verwezen naar HD paragraaf 4.2 van onderdeel 27.00.00.

Bijzondere situaties

Er kunnen zich een aantal bijzondere situaties voordoen. Het kan zijn dat:

a) de exporteur de termijn van twaalf maanden voor het leveren van het bewijs van invoer overschrijdt;

b) de termijn van twaalf maanden wordt verlengd;

c) de heffing wordt verhoogd;

d) de exporteur het bewijs van invoer slechts voor een deel van de goederen levert;

e) de exporteur het bewijs van invoer voor een andere bestemming levert.

    Die situaties worden hieronder beschreven.

    a)

    De aangever of exporteur moet binnen twaalf maanden na aanvaarding van de aangifte ten uitvoer het bewijs leveren dat het product in het land van bestemming is ingevoerd. Als de aangever of exporteur het bewijs niet binnen twaalf maanden levert, wordt aangenomen dat de producten zijn aangekomen op de bestemming waarvoor de hoogste heffing geldt. Voor het begrip 'hoogste heffing' wordt verwezen naar paragraaf 2.1.1.

     
    Als de termijn van twaalf maanden wordt overschreden, gaat u als volgt te werk:
    1. Maak een uitnodiging tot betaling op voor het verschil tussen de reeds bij uitvoer betaalde heffing en de hoogste heffing en verwerk deze in het aangiftesysteem.
    2. Verzend de uitnodiging tot betaling aan de aangever.
    3. Nadat de aangever de uitnodiging tot betaling heeft voldaan, geeft u de gestelde zekerheid, na controle dat de uitnodiging tot betaling is voldaan, vrij.

    b)

    De termijn van twaalf maanden kan in bepaalde situaties worden verlengd. Verwezen wordt naar paragraaf 2.1.2.

    c)

    Als het voorgeschreven bewijs binnen zes maanden na afloop van de termijn van twaalf maanden wordt geleverd, moet in bepaalde situaties een verhoging worden opgelegd. Zie voor verhoging van de uitvoerheffing paragraaf 2.1.3

     
    Als voor de heffing een verhoging wordt opgelegd, gaat u als volgt te werk:
    1. Maak een uitnodiging tot betaling op en verwerk deze in het aangiftesysteem.
    2. Verzend de uitnodiging tot betaling aan de aangever.
    3. Nadat de aangever de uitnodiging tot betaling heeft voldaan, geeft u de gestelde zekerheid, na controle dat de uitnodiging tot betaling is voldaan, vrij.
     
    d)
    Als de exporteur binnen de voorgeschreven termijn slechts voor een gedeelte van de uitgevoerde goederen het bewijs levert dat de goederen in het land van bestemming zijn ingevoerd, gaat u als volgt te werk:
    1. Maak voor de hoeveelheid goederen waarvoor het bewijs van invoer niet is geleverd een uitnodiging tot betaling op. Doe dit voor het verschil tussen de heffing die al bij uitvoer is betaald en de hoogste heffing. Gebruik hierbij het aangiftesysteem.
    2. Verzend de uitnodiging tot betaling aan de aangever.
    3. Nadat de aangever de uitnodiging tot betaling heeft voldaan, geeft u de gestelde zekerheid, na controle dat de uitnodiging tot betaling is voldaan, vrij.
     
    e)
    Wanneer de exporteur binnen de voorgeschreven termijn voor de uitgevoerde goederen het bewijs levert dat de goederen in een ander land van bestemming zijn ingevoerd dan in de uitvoeraangifte is vermeld, gaat u als volgt te werk:
    1. Maak, als voor deze bestemming een hogere uitvoerheffing geldt dan bij uitvoer is betaald, een uitnodiging tot betaling op voor het verschil tussen de heffing die al bij uitvoer is betaald en de hoogste heffing die geldt voor de aangetoonde bestemming. Gebruik hierbij het aangiftesysteem.
    2. Verzend de uitnodiging tot betaling aan de aangever.
    3. Nadat de aangever de uitnodiging tot betaling heeft voldaan, geeft u de gestelde zekerheid, na controle dat de uitnodiging tot betaling is voldaan, vrij.

    Als voor de bestemming een lagere uitvoerheffing geldt dan bij uitvoer is betaald, wordt overgegaan tot ambtshalve terugbetaling. U verwerkt deze ambtshalve terugbetaling in het daarvoor beschikbare systeem.

    2.3 Strafbepalingen

    In artikel 10:2 van de Algemene Douanewet is een bepaling opgenomen die het strafbaar stelt om in strijd met de wettelijke bepalingen goederen:

    • niet aan te brengen bij het kantoor van uitgang
    • buiten het douanegebied van de Gemeenschap te voeren in strijd met artikel 267, lid 1, DWU

    Degene die deze bepaling overtreedt, wordt gestraft met een geldboete van de derde categorie.