1 Het in het vrije verkeer brengen van goederen via afstandsverkopen
Dit hoofdstuk ziet op het in het vrije verkeer brengen van goederen die via afstandsverkopen zijn geleverd uit derde landen (en derde landsgebieden) via het éénloketsysteem (IOSS-regeling) voor de btw (omzetbelasting) en goederen in postzendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 150.
Daarnaast wordt kort ingegaan op het in het vrije verkeer brengen van goederen in particuliere zendingen met een waarde tot € 45.
1.1 Inleiding
Met ingang van 1 juli 2026 is de vrijstelling van douanerechten voor goederen in een zending met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 150 vervallen. Deze vrijstelling was opgenomen in artikel 23 en artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1186/2009.
(artikel 1 Verordening (EU) 2026/382)
Voor goederen in zendingen met een intrinsieke waarde van in totaal niet meer dan € 150 moet bij het in het vrije verkeer brengen in de Europese Unie € 3 douanerecht per goed worden betaald.
Wat precies onder de heffing van € 3 ‘per goed’ moet worden verstaan is opgenomen in paragraaf 1.5 van dit hoofdstuk.
In ieder geval gaat het om goederen die worden verkocht in afstandsverkopen uit derde landen of derde landsgebieden:
- Waarvan de invoer is vrijgesteld van btw volgens het éénloketsysteem voor de invoer (de IOSS-regeling); of
- In een postzending (zie paragraaf 1.4 van dit hoofdstuk) met uitzondering van goederen waarvan de invoer is vrijgesteld van btw volgens de IOSS-regeling, en goederen waarvoor preferentiële maatregelen en maatregelen voor een douane-unie gelden.
Goederen in afstandsverkopen worden ook wel B2C-zendingen genoemd (zie verder onder paragraaf 1.2, 1.3 en 1.4 van dit hoofdstuk).
De heffing van € 3 douanerecht is voor deze goederen tijdelijk van toepassing tussen 1 juli 2026 en 1 juli 2028. Na 1 juli 2028 zal het normale gemeenschappelijke tarief gelden.
Het douanerecht van € 3 is ook van toepassing op accijnsgoederen. Denk hierbij aan alcoholische producten, parfums, toiletwaters, alsook tabak en tabaksproducten, zoals sigaretten, etc. (zie ook het vervallen artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1186/2009).
(artikel 2 Verordening (EU) 2026/382, artikel 14, lid 4, punt 2, artikel 143, lid 1, punt c bis Richtlijn 2006/112/EG, artikel 1, punt 24 GVo.DWU en artikel 21, letter e Wet op de omzetbelasting 1968)
1.2 Definities zending, intrinsieke waarde en afstandsverkopen
In deze paragraaf worden enkele definities uitgewerkt.
1.2.1 Zending
Een zending wordt gedefinieerd als: goederen van één afzender aan één geadresseerde, vervoerd met hetzelfde vervoermiddel, komend uit het hetzelfde derde land, van dezelfde soort, klasse (categorie) of omschrijving of gezamenlijk verpakt en vervoerd onder dezelfde vervoersovereenkomst.
Dit betekent dat goederen van dezelfde afzender aan dezelfde geadresseerde, die afzonderlijk zijn besteld en afzonderlijk als pakket zijn verzonden, maar wel op dezelfde dag aankomen, worden gezien als afzonderlijke zendingen.
Als goederen van verschillende bestellingen van één afzender aan één geadresseerde als één pakket worden verzonden (onder dezelfde vervoersovereenkomst) en op dezelfde dag aankomen, dan is sprake van één zending.
Ook goederen die in één bestelling zijn geplaatst door dezelfde persoon, maar die afzonderlijk zijn verzonden, worden gezien als verschillende zendingen.
1.2.2 Intrinsieke waarde
De definitie van de intrinsieke waarde van goederen is voor:
- Handelsgoederen: de prijs van de goederen zelf bij verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, met uitzondering van vervoers- en verzekeringskosten, tenzij deze in de prijs zijn begrepen en niet afzonderlijk op de factuur zijn vermeld, en alle andere belastingen en heffingen die door de Douane kunnen worden vastgesteld op basis van relevante documenten;
- Goederen zonder handelskarakter: de prijs die voor de goederen zelf zou zijn betaald als zij waren verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie.
(artikel 1, punt 48 GVo.DWU)
Deze definitie is alleen van belang om de waarde van de goederen te kunnen vaststellen bij controle van douaneaangiften (zie verder sub-paragraaf 1.10.4. 3 van dit hoofdstuk).
1.2.3 Afstandsverkopen
In artikel 2a, lid 1, letter x van de Wet op de omzetbelasting 1968 wordt de definitie van afstandsverkopen vanuit derde landen of derde landsgebieden gegeven (in het kort) als de leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van de leverancier aan een (niet-belastingplichtige) afnemer in een lidstaat van de Unie.
Er zijn vier elementen relevant voor het tijdelijk douanerecht van € 3:
- De goederen moeten worden geleverd door een belastingplichtige aan een afnemer in het douanegebied van de Unie. De leverancier is een belastingplichtige, dus ook leveringen door een vermoedelijke leverancier (bijvoorbeeld onlineplatformen).
- De leveringen worden verricht aan een niet-belastingplichtige persoon (bijvoorbeeld een consument) of aan een (niet)belastingplichtige rechtspersoon waarvan de intracommunautaire verwervingen van goederen niet aan btw zijn onderworpen. Als bijvoorbeeld het btw-nummer of EORI-nummer (van de importeur) ontbreekt in de douaneaangifte en er wel een geldig IOSS-nummer is vermeld, dan zal het om goederen in afstandsverkopen gaan.
- De goederen moeten zich bevinden in een derde land of een derde landsgebied (dus buiten het douanegebied van de Unie, zoals is aangegeven in artikel 4 van het DWU) op het tijdstip van de levering. Voor afstandsverkopen van goederen onder de regeling IOSS, vindt het belastbare feit voor de btw plaats wanneer de betaling is aanvaard.
(artikel 66 bis Richtlijn 20026/112/EG en artikel 41 bis Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011)
- De goederen moeten worden verzonden of vervoerd naar de afnemer (consument) door de leverancier of voor zijn rekening. Dit ook in de gevallen dat de leverancier de verzending of het vervoer indirect regelt. Alleen wanneer de afnemer (consument) zelf de goederen komt ophalen of het vervoer organiseert zonder enige tussenkomst van de leverancier, worden de goederen geacht niet door de leverancier te zijn verzonden of geleverd.
(artikel 14, lid 4 Richtlijn 2006/112/EG en artikel 5 bis Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011)
1.3 Afstandsverkopen met een bijzondere regeling voor btw
Voor afstandsverkopen van goederen die worden ingevoerd vanuit derde landen (en derde landsgebieden) is een bijzondere regeling voor de btw van toepassing. Het gaat om leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van de leverancier vanuit derde landen naar een afnemer (consument) in de Europese Unie. Dit geldt ook in de gevallen dat de leverancier niet direct bij het vervoer of de verzending van de goederen uit derde landen is betrokken.
Het gaat altijd om goederen in een zending met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 150.
Let op!
Accijnsgoederen zijn uitgezonderd van de bijzondere regeling.
(artikel 14, lid 4, punt 2, artikel 143, lid 1, punt c bis, artikel 369 terdecies, artikel 369 sexvicies Richtlijn 2006/112/EG, artikel 2a, lid 1, letter x, artikel 21, letter e, artikel 28t en artikel 28u Wet op de omzetbelasting 1968)
1.3.1 IOSS-regeling
Voor de goederen met een bijzondere btw-regeling wordt een vrijstelling van btw bij invoer verleend omdat de btw is betaald vóór het in het vrije verkeer brengen. Dit is het zogenaamde éénloketsysteem of de 'Import-One-Stop-Shop' regeling (IOSS-regeling). In de Wet op de omzetbelasting 1968 wordt deze bijzondere regeling aangeduid als de 'invoerregeling'.
Het belastbare feit voor de btw vindt plaats en deze wordt verschuldigd op het tijdstip van levering van de goederen. De goederen worden dan geacht te zijn geleverd op het tijdstip waarop de betaling is aanvaard.
Om de IOSS-regeling toe te kunnen passen moet de leverancier over een (individueel) btw-identificatienummer beschikken en deze verstrekken aan het bevoegde douanekantoor in de lidstaat van invoer. Dit wordt ook wel het IOSS-nummer genoemd.
(artikel 143, lid 1, punt c bis, artikel 369 terdecies, artikel 369 quindecies, artikel 369 octodecies Richtlijn 2006/112/EG, artikel 28t, artikel 28tc en artikel 28tf Wet op de omzetbelasting 1968)
1.3.2 Special Arrangement
Als geen gebruik wordt gemaakt van de IOSS-regeling kan de lidstaat van invoer de indiener die voor rekening handelt van de consument en die de goederen bij de Douane aanbrengt, toestaan om gebruik te maken van een bijzondere regeling, ook wel Special Arrangement (SA) genoemd, voor de aangifte en de betaling van btw bij invoer.
In de Wet op de omzetbelasting 1968 wordt deze regeling aangeduid als de ‘regeling post- en koeriersdiensten’.
Deze regeling geldt voor goederen waarvan de verzending of het vervoer in die lidstaat wordt beëindigd. De consument is degene voor wie de goederen bestemd zijn en degene die de btw zou moeten betalen. De btw wordt nu door de indiener (namens de consument) betaald met een maandelijkse btw-aangifte.
(artikel 369 sexvicies, artikel 369 septvicies Richtlijn 2006/112/EG, artikel 28u en artikel 28v Wet op de omzetbelasting 1968)
1.4 Goederen in postzendingen
Goederen in postzendingen zijn afstandsverkopen van goederen die worden ingevoerd vanuit derde landen. Het gaat om leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van de leverancier vanuit derde landen naar een afnemer (consument) in de Europese Unie. Dit geldt ook in de gevallen dat de leverancier niet direct bij het vervoer of de verzending van de goederen uit derde landen is betrokken.
Het gaat altijd om goederen in een zending met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 150.
Van deze definitie zijn uitgezonderd de goederen waarvan de invoer is vrijgesteld van btw overeenkomstig de IOSS-regeling (zie onder sub-paragraaf 1.3.1 van dit hoofdstuk).
Als er preferentiële maatregelen of maatregelen in het kader van een douane-unie gelden voor de goederen, dan vallen deze ook niet onder de definitie ‘goederen in postzendingen’.
(artikel 1, punt 24, GVo.DWU, artikel 14, lid 4, punt 2, Richtlijn 2006/112/EG en artikel 2a, lid 1, letter x Wet op de omzetbelasting 1968)
1.5 Heffing per artikel
Het tijdelijk douanerecht van € 3 wordt geheven per goed in een zending. Dit ongeacht de aangegeven waarde van het goed. Als de goederen als afzonderlijke artikelen in de douaneaangifte worden aangegeven is het douanerecht van € 3 op elk artikel van toepassing.
Onder ‘artikel’ wordt verstaan: één of meer goederen in een zending met dezelfde tariefindeling, omschrijving en oorsprong. Dat zijn goederen van één productcategorie.
(artikel 1, punt 61 GVo.DWU)
Het douanerecht van € 3 is ook van toepassing op elk artikel wanneer twee of meer identieke artikelen op afzonderlijke aangifteregels in een douaneaangifte worden aangegeven.
Het is toegestaan om die identieke artikelen te groeperen en deze op één aangifteregel aan te geven. De artikelen worden in dat geval per productcategorie aangegeven. Voor elke productcategorie wordt dan € 3 douanerecht betaald, dus niet per artikel.
Een productcategorie hangt af van de tariefindeling van het goed in het Gemeenschappelijk douanetarief (GDT) , de omschrijving en de oorsprong van het goed. De indiener moet de zending met goederen in de douaneaangifte op de juiste wijze aangeven.
Voorbeeld
Een broek en een trui zijn verschillende productcategorieën (tariefindelingen). Voor deze artikelen in de zending wordt 2 x € 3 = € 6 douanerecht betaald.
Voorbeeld
Een wollen trui en een katoenen trui vallen in verschillende productcategorieën (tariefindelingen). Ook in dit geval geldt dat 2 x € 3 = € 6 douanerecht wordt betaald.
Voorbeeld
Een gele wollen trui en een groene wollen trui vallen in dezelfde productcategorie (tariefindeling). Er wordt éénmalig € 3 douanerecht betaald.
Voorbeeld
Bestaat de zending alleen uit 5 USB-kabels? Dan is dat 1 productcategorie (tariefindeling). Er wordt eenmalig € 3 douanerecht betaald.
Voorbeeld
Bestaat de zending uit een USB-kabel, een jas en een lippenstift? Dan zijn dat drie verschillende productcategorieën (tariefindelingen). Er wordt 3 x € 3 = € 9 douanerecht betaald.
De gegevens worden door de indiener aangegeven volgens de gegevensvereisten die van toepassing zijn voor de ingediende douaneaangifte, in het systeem DECO of DMS, of de gegevens die aan de Douane moeten worden verstrekt. Denk hierbij aan een factuur of betaalbewijs.
Het douanerecht van € 3 is van toepassing, ongeacht of de goederen in DECO (kolom H7-aangifte) of DMS (kolom H1-aangifte) worden aangegeven.
(artikel 2 Verordening (EU) 2026/382 en artikel 1, punt 61 GVo.DWU)
1.6 Verzamelaangifte
De mogelijkheid om gebruik te maken van de vereenvoudiging van artikel 177 DWU, de zogenaamde verzamelaangifte, is niet van toepassing voor goederen met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 150.
(artikel 177 DWU, artikel 222 UVo.DWU en artikel 228 UVo.DWU)
Uitgangspunt is dat wanneer in een douaneaangifte twee of meer artikelen worden vermeld, ieder artikel wordt beschouwd als een afzonderlijke aangifte.
1.7 Groepagezending
In een groepagezending van goederen worden pakketten, waarvan elk pakket is gericht aan een consument in de Europese Unie, in één (groepage)zending vervoerd en voor het vrije verkeer aangegeven.
Voor goederen in een groepagezending geldt de prejudiciële beslissing van het Europees Hof van Justitie uit het arrest van 2 juli 2009 in zaak C-7/08, Har Vaessen Douane Service BV/Staatssecretaris van Financiën. In deze zaak heeft het Hof geoordeeld dat bij groepagezendingen van goederen elke zending afzonderlijk moet worden beschouwd.
Bij verificatie van de douaneaangifte moet op basis van de gegevens in de douaneaangifte, of door fysieke controle, blijken of sprake is van een groepagezending die bestaat uit afzonderlijke afstandsverkopen (zendingen).
Als na verificatie blijkt dat er sprake is van goederen in afstandsverkopen, dan zal de douaneaangifte ongeldig moeten worden gemaakt. De indiener moet voor alle afzonderlijke zendingen (pakketten), die bestemd zijn voor de diverse ontvangers, een nieuwe douaneaangifte indienen. Voor elke afzonderlijke zending moet € 3 douanerecht per artikel worden geheven. Dit geldt ook als de goederen zijn verkocht in een reeks opvolgende verkopen voordat de goederen in het douanegebied van de Unie zijn binnenbracht en één van die verkopen is een afstandsverkoop.
(artikel 243, lid 5 UVo.DWU)
Voorbeeld
Een indiener heeft aangifte A voor 4 verschillende artikelen (truien, een koptelefoon, CD’s en t-shirts) ingediend. Het aangiftesysteem DECO berekent hiervoor 4 x € 3 = € 12 douanerecht. Na verificatie van aangifte A blijkt sprake van een groepagezending met zendingen (pakketten) voor 5 verschillende ontvangers, te weten B, C, D, E en F.
De Douane maakt aangifte A ongeldig. De indiener moet 5 nieuwe aangiften indienen:
- aangifte B: 1 katoenen trui en 1 wollen trui: 2 x € 3 = € 6 douanerecht;
- aangifte C: 1 koptelefoon: 1 x € 3 = € 3 douanerecht;
- aangifte D: 3 CD's: 1 x € 3 = € 3 douanerecht;
- aangifte E: 1 katoenen en 1 polyester t-shirt en 2 identieke truien: 3 x € 3 = € 9 douanerecht;
- aangifte F: 3 t-shirts van katoen: 1 x € 3 = € 3 douanerecht;
De indiener moet nu € 24 douanerecht betalen (in plaats van de aangegeven € 12).
Het douanerecht van € 3 geldt ook wanneer groepagezendingen zien op afzonderlijke verkopen, die in bulk in de Unie worden ingevoerd en opgeslagen in een douane-entrepot voordat de goederen worden vrijgegeven voor het in het vrije verkeer brengen.
Let op!
Als goederen aan consumenten in de Unie worden verkocht tijdens de opslag in een douane-entrepot is géén sprake van afstandsverkopen.
1.8 Aangever in hiërarchische volgorde
De verantwoordelijkheid voor de juiste betaling van het douanerecht van € 3 bij aankomst in de Europese Unie ligt bij de aangever, d.w.z. de platforms en verkopers, of bij de vervoerder of agent die de goederen bij de Douane aangeeft. Alleen in overige gevallen kunnen andere personen - met inbegrip van de consument (niet in Nederland) - de goederen aangeven.
Er bestaat een afstemming tussen de begrippen ‘belastingplichtige die gehouden is tot voldoening van de btw bij invoer’ uit Richtlijn 2006/112/EG en ‘schuldenaar van de douaneschuld’ uit artikel 77 DWU. Voor het indienen van de douaneaangifte voor het vrije verkeer is daarom sprake van een hiërarchische volgorde van aangevers.
Deze volgorde is bindend en alleen als de voorafgaande persoon niet van toepassing is volgt de volgende persoon:
- (a) IOSS-houder of de indirect vertegenwoordiger;
- (b) Special Arrangement (SA)-gebruiker of de indirect vertegenwoordiger;
- (c) Indirect vertegenwoordiger van de importeur als (a) en (b) niet van toepassing zijn;
- (d) Als (a), (b) en (c) niet van toepassing zijn, dan iedere andere persoon die in staat is de nodigde informatie voor de douaneaangifte en de douaneregeling aan te leveren en die in staat is de goederen aan te brengen bij de Douane.
Zowel de IOSS-houder als de SA-gebruiker kan indirect worden vertegenwoordigd. De Douane aanvaardt de douaneaangifte alleen als de aangever een geldig EORI-nummer heeft. Als sprake is van een indirect vertegenwoordiger die de invoerrechten betaalt bij vrijgave of met een geldige zekerheid wordt de aangifte ook aanvaard.
Een importeur kan zich alleen indirect laten vertegenwoordigen als geen sprake is van een IOSS-houder of een SA-gebruiker zie onder (c).
In het geval de IOSS-houder of de houder van de bijzondere regeling Special Arrangement in het douanegebied van de Unie is gevestigd en zelf optreedt als aangever, kan hij een beroep doen op de diensten van een direct vertegenwoordiger om de douaneaangifte in te dienen.
Het feit dat de IOSS-houder, SA-gebruiker of een indirect vertegenwoordiger optreden als aangever sluit niet uit dat een direct vertegenwoordiger in de praktijk de douaneaangifte indient (dubbele vertegenwoordiging).
Een consument kan alleen douaneschuldenaar worden in de EU-lidstaten met een web-based aangiftesysteem voor inwoners, zie onder (d). Dit is in Nederland niet mogelijk.
In het geval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon namens wie de douanevertegenwoordiger (indiener) handelt, ook de douaneschuldenaar.
Zie voor een nadere toelichting sub-paragraaf 3.4.3 in de eerstgenoemde Guidance in paragraaf 1.11 van dit hoofdstuk.
(bijlage B bij de GVo.DWU)
1.9 Goederen van particulier aan particulier
Een uitzondering geldt voor zendingen die door particulieren uit een derde land worden gezonden naar particulieren in de Unie en waarvan de waarde minder dan € 45 bedraagt. Voor deze zendingen geldt het douanerecht van € 3 niet. Dit zijn de zogenaamde C2C-zendingen (zendingen zonder handelskarakter).
Voor zendingen zonder handelskarakter met een waarde tot € 45 kan bij het in het vrije verkeer brengen worden verzocht om vrijstelling van douanerechten. Hiervoor geldt dat het gaat om zendingen die door een particulier uit een derde land worden verzonden naar een andere particulier die zich in het douanegebied van de Unie bevindt. Beperkte hoeveelheden alcoholische producten, parfum en toiletwater, tabak en tabaksproducten zijn hierbij toegestaan.
(artikel 25, artikel 26 en artikel 27 Verordening (EG) nr. 1186/2009)
1.10 Aangiftesysteem
Er zijn twee elektronische douaneaangiftesystemen relevant voor het in het vrije verkeer brengen van goederen met een geringe waarde: DECO en DMS.
1.10.1 Aangiftesysteem DECO
In het systeem DECO kan een douaneaangifte worden gedaan met een beperkte dataset. De aangifte kan worden ingediend met de gegevensset uit kolom H7 van bijlage B bij de GVo.DWU (de zogenaamde H7-aangifte). Hierbij hoeven minder gegevenselementen te worden overgelegd dan bij een reguliere douaneaangifte in DMS. Deze specifieke gegevensset kan alleen in DECO worden gebruikt voor goederen in zendingen:
- Waarvan de intrinsieke waarde niet meer dan € 150 bedraagt en die worden verkocht in het kader van de afstandsverkoop van ingevoerde goederen; en
- Waarvoor geen verboden of beperkingen gelden.
(artikel 143 bis GVo.DWU)
In DECO wordt de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen gedaan met de beperkte gegevensset uit kolom H7 voor:
- Het éénloketsysteem/IOSS/invoerregeling (code F48); of
- De bijzondere regeling/special arrangement (code F49);
- De standaard btw procedure (code F53).
DECO kan niet gebruikt worden voor:
- Goederen die zijn onderworpen aan verboden en beperkingen;
- Goederen waarvoor preferentiële maatregelen of douane-kniemaatregelen gelden; en
- Accijnsgoederen.
(artikel 143 bis GVo.DWU, artikel 369 terdecies, artikel 369 sexvicies Richtlijn 2006/112/EG, artikel 28t en artikel 28u Wet op de omzetbelasting 1968)
Ook voor goederen in (geschenk)zendingen, die door particulieren uit een derde land worden gezonden naar particulieren in de Unie, met een waarde van minder dan € 45 kunnen in DECO voor het in het vrije verkeer brengen worden aangegeven. Voor deze goederen wordt in zowel DECO als DMS in gegevenselement 11 10 000 000 ‘Aanvullende regeling’ code C08 ingevuld.
1.10.2 Aangiftesysteem DMS
Goederen die niet in DECO kunnen worden aangegeven, moeten in DMS worden aangegeven met gebruikmaking van de gegevensset uit kolom H1 van bijlage B bij de GVo.DWU (de zogenaamde H1-aangifte).
Dit betekent dat DMS gebruikt moet worden voor goederen:
- Waarvoor preferentiële maatregelen (code 2 of 3) of douane-unie maatregelen (code 4) gelden en de btw niet overeenkomstig de IOSS-regeling is geïnd;
- Die zijn onderworpen aan verboden en beperkingen ongeacht hun (intrinsieke) waarde; en
- Waarvoor accijns of verbruiksbelasting moet worden afgedragen.
Ook kan eventueel gebruik gemaakt worden van de procedure inschrijving in de administratie van de aangever voor deze goederen.
Ongeacht of de goederen via de gegevensset H1 (in DMS) of via de beperkte gegevensset H7 (in DECO) worden aangegeven, moet voor alle ingevoerde goederen waarvoor gebruik wordt gemaakt van de regeling IOSS het tijdelijk douanerecht van € 3 betaald worden,
(artikel 2 van Verordening (EG) 2026/382)
1.10.3 Codes in bijlage B UVo.DWU
Bijlage B van de UVo.DWU bevat de formaten en codes van de gegevensvereisten voor de uitwisseling van informatie die voor de aangiften in DECO (H7-aangifte) en DMS (H1-aangifte) is vereist.
In gegevenselement 11 09 000 000 ‘Regeling’ wordt in DECO aangegeven:
| H7 | Douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen van goederen in een zending met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 150 | 4000 |
In gegevenselement 11 09 000 000 'Regeling wordt in DECO aangegeven:
| H1 | Aangifte voor het vrije verkeer | 40 |
Omdat de vrijstelling van douanerechten uit Verordening (EG) nr. 1186/2009 is afgeschaft, is bijlage B gewijzigd.
In gegevenselement 11 10 000 000 ‘Aanvullende regeling’ is in de tabel ‘Overige’ een nieuwe code ‘F53’ voor goederen die niet in het kader van IOSS-regeling (code F48) of de bijzondere regeling (code F49) zijn aangegeven. Deze code vervangt code C07.
Code C07 is geschrapt omdat deze verwijst naar de vrijstelling van invoerrechten die bij Verordening (EU) 2026/382 is vervallen.
In DMS wordt in gegevenselement 11 10 000 000 ‘Aanvullende regeling’ de volgende code ingevuld:
| F53 | Goederen waarvan de intrinsieke waarde niet meer dan € 150 per zending bedraagt, verkocht in het kader van afstandsverkopen, met uitzondering van goederen waarvan de invoer is vrijgesteld van btw overeenkomstig de IOSS-regeling en goederen waarvan de btw wordt aangegeven in het kader van de bijzondere regeling (Special Arrangement) |
In gegevenselement 14 11 000 000 ‘Preferentie’ is een nieuwe tariefpreferentiecode ‘5’ toegevoegd voor de berekening van het recht van € 3 in de H1-aangifte.
In DMS wordt onder gegevenselement 14 11 000 000 ‘Preferentie’ de volgende code aangegeven:
| 5 | Goederen waarop overeenkomstig Verordening (EU) 2026/382 een douanerecht van € 3 van toepassing is |
Als sprake is van een preferentiële tariefmaatregel of een douane-unie maatregel, dan wordt in DMS in gegevenselement 1411 000 000 ‘Preferentie’ respectievelijk code 2 (APS), 3 (bilaterale overeenkomst) of 4 (douane-unie) ingevuld.
1.10.4 Geen douaneaangifte in DECO
De Douane kan bij verificatie van de aangifte in DECO vaststellen dat er sprake is van goederen:
- Waarvoor verboden of beperkingen gelden;
- Waarvoor accijns of verbruiksbelasting moet worden afgedragen; of
- Waarvan de intrinsieke waarde meer dan 150 Euro bedraagt.
Er is dan ten onrechte gebruik gemaakt van de beperkte gegevensset in DECO. De Douane moet nadere maatregelen nemen om de situatie te herstellen. Hierna worden de drie situaties beschreven: verboden en beperkingen, accijns- en verbruiksbelasting goederen en een te hoge intrinsieke waarde.
1.10.4.1 Verboden en beperkingen
Wordt bij verificatie vastgesteld dat er sprake is van goederen waarvoor verboden of beperkingen gelden? Artikel 198 DWU geeft de mogelijkheid om nadere maatregelen te nemen.
De Douane maakt de aangifte ongeldig op grond van artikel 198, lid 2 DWU als de goederen in beslag worden genomen en/of worden vernietigd.
1.10.4.2 Accijns- of verbruiksbelasting goederen
Als een douaneaangifte is aanvaard waarna bij controle wordt vastgesteld dat er sprake is van accijns- of verbruiksbelastinggoederen, dan had de douaneaangifte niet in DECO aanvaard mogen worden. De aanvaarding wordt als begunstigende beschikking aangemerkt. De douaneaangifte voldeed achteraf gezien niet aan de voorwaarden. Om de aanvaarding van de aangifte nietig te kunnen verklaren, moet aan de volgende drie voorwaarden van artikel 27 DWU worden voldaan:
- De goederen zijn niet aangegeven als accijns- of verbruiksbelasting goederen; dit is een onjuist gegeven (artikel 27, lid 1, letter a DWU);
- De aangever wist of had dat redelijkerwijs moeten weten (artikel 27, lid 1, letter b DWU); en
- De aangifte had dan immers niet worden aanvaard door het systeem DECO (artikel 27, lid 1, letter c DWU).
Door het nietig verklaren vallen de goederen terug in de voorafgaande regeling, bijvoorbeeld tijdelijke opslag. Het nietig verklaren van de aanvaarding van de aangifte gebeurt door ongeldigmaking van de douaneaangifte in DECO.
Er zal dus een nieuwe regeling gekozen moeten worden, bijvoorbeeld in het vrije verkeer brengen door een aangifte in DMS.
1.10.4.3 Onjuiste intrinsieke waarde
Als een douaneaangifte is aanvaard waarna bij controle wordt vastgesteld dat de intrinsieke waarde van de goederen hoger is dan € 150, dan had de douaneaangifte niet in DECO aanvaard mogen worden. De aanvaarding wordt als begunstigende beschikking aangemerkt. De douaneaangifte voldeed achteraf gezien niet aan de voorwaarden. Om de aanvaarding van de aangifte nietig te kunnen verklaren, moet aan de volgende drie voorwaarden van artikel 27 DWU worden voldaan:
- De intrinsieke waarde van de goederen is meer dan € 150; dit is een onjuist gegeven (artikel 27, lid 1, letter a DWU);
- De aangever wist of had dat redelijkerwijs moeten weten (artikel 27, lid 1, letter b DWU); en
- De aangifte had dan immers niet worden aanvaard door het systeem DECO (artikel 27, lid 1, letter c DWU).
Door het nietig verklaren vallen de goederen terug in de voorafgaande regeling, bijvoorbeeld tijdelijke opslag. Het nietig verklaren van de aanvaarding van de aangifte gebeurt door ongeldigmaking van de douaneaangifte in DECO.
Er zal dus een nieuwe regeling gekozen moten worden, bijvoorbeeld het in het vrije verkeer brengen door een aangifte in DMS.
1.10.5 Geen ongeldigmaking van douaneaangiften
Op verzoek van de indiener kan een douaneaangifte niet ongeldig gemaakt worden voor goederen in een zending verkocht in afstandsverkopen en met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 150, die in het vrije verkeer zijn gebracht in het kader van afstandsverkopen en na vrijgave worden teruggezonden.
Het voor de goederen betaalde douanerecht van € 3 kan niet worden terugbetaald. Wel blijven de algemene regels voor terugbetaling van douanerechten die volgen uit artikel 116 DWU van toepassing.
(artikel 148, lid 3 GVo.DWU)
1.11 Informatie van de Europese Commissie
Meer informatie is beschikbaar in de Guidance van de Europese Commissie over de ‘Importation and Exportation of Low Value Consignments’.
De bijzondere regels voor btw (IOSS-regeling, SA en standaardprocedure) van goederen in een zending met een intrinsieke waarde tot € 150 zijn niet gewijzigd en blijven van toepassing. Meer informatie is te vinden in het Guidance document on the Importation and Exportation of Low Value Consignments en de Explanatory Notes on the VAT E-commerce rules.