Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

6 Verordening 2024/590

6.1 Toepassingsgebied

6.1.1 Welke stoffen?

Er zijn vele stoffen die ozon kunnen afbreken. De bekendste groepen stoffen zijn in het vorige hoofdstuk genoemd. De Ozonverordening heeft betrekking op de ozonafbrekende stoffen zoals die genoemd zijn in de bijlage I en II van de Ozonverordening (Ozonverordening, artikel 2, punt a).

Daarnaast vallen ook de isomeren van die stoffen onder de Ozonverordening. Isomeren zijn stoffen met dezelfde molecuulformule, maar met een andere structuurformule.

Ook mengsels van de in de bijlage I en II vermelde OAS worden beschouwd als ozonafbrekende stoffen. Hiervoor is geen minimumhoeveelheid percentage genoemd dus elke verhouding OAS, hoe klein ook, valt onder de Ozonverordening.

6.1.2 Apparatuur gevuld met OAS

Onder de werking van de Ozonverordening vallen ook producten en apparatuur, en onderdelen daarvan, die OAS bevatten of nodig hebben voor hun werking. Denk bijvoorbeeld aan koelinstallaties zoals koelkasten, vriesruimten, of airconditioningsystemen. Maar ook bepaalde typen brandblussers (halon blussers) om blusschade te voorkomen. Ook voor bepaalde productieprocessen worden soms OAS gebruikt.

6.1.3 Geografisch

De Ozonverordening is van toepassing in het douanegebied van de Unie.

De definitie van “invoer” en “uitvoer” ziet op: “het gebied onder het geratificeerde Protocol van Montreal van 1987”. Dit betreft het gebied van alle verdragsluitende partijen. 197 landen hebben het protocol ondertekend zodat dit praktisch gezien de gehele wereld betreft. De Douane heeft dan ook als uitgangspunt dat de buitengrensoverschrijdingen van de Unie onder de begrippen “invoer” of “uitvoer” van de Ozonverordening vallen.

6.2 Verbodsbepalingen OAS en producten waar OAS inzitten (Ozonverordening art 4 en 5 )

6.2.1 Verbod op invoer en uitvoer

Artikel 4 lid 2 van de Ozonverordening geeft een verbod op de invoer of uitvoer van de in bijlage I opgenomen OAS.

Artikel 5 lid 2 van de Ozonverordening geeft een verbod op de invoer of uitvoer van producten en apparatuur die in bijlage I opgenomen ozonafbrekende stoffen bevatten of nodig hebben voor hun werking. Dat verbod is niet van toepassing op persoonlijke bezittingen. Persoonlijke bezittingen komen alleen voor bij verhuisboedels of wat reizigers met zich meenemen. Definitie van persoonlijk bezit is uitgelegd in hoofdstuk 6.5.1 vrijstelling vergunningplicht in dit voorschrift.

Op de verboden zelf zijn vrijstellingen van toepassing die verder in hoofdstuk 6.3 van dit voorschrift worden beschreven.

Voor de meeste vrijstellingen van in- of uitvoer geldt een vergunningplicht. De vergunningplicht wordt beschreven in hoofdstuk 6.4 van dit voorschrift.

6.2.2 Verbod op gebruik niet navulbare houders (Ozonverordening art 15 lid 1)

Niet-navulbare houders voor ozonafbrekende stoffen zijn verboden in- of uit te voeren. Ook mag er geen wederuitvoer plaatsvinden van niet navulbare houders.

Bij lediging van die houders is de kans groot dat een hoeveelheid koelmiddel achterblijft en vervolgens vrijkomt in de atmosfeer.

Bij het aantreffen van dergelijke houders waarvoor geen uitzondering geldt zullen de houders door de douaneautoriteiten of de markttoezichtautoriteiten worden verbeurdverklaard of in beslag genomen.

Houders die zouden kunnen worden nagevuld, maar die worden ingevoerd of in de handel worden gebracht zonder dat erin is voorzien dat die voor navulling worden teruggezonden vallen ook onder het begrip niet navulbare houders (art 15 lid 1 onder b van de Ozonverordening).

De conformiteitsverklaring bij navulbare houders (Ozonverordening art 15 lid 3)

Ondernemingen die navulbare houders voor ozonafbrekende stoffen in de handel brengen, overleggen een conformiteitsverklaring.

Bij de conformiteitsverklaring moet ook bewijs kunnen worden overlegd waaruit blijkt dat:

  • Er een bindende regeling is met de leverancier voor het terugzenden van die houders met het oog op navulling,
  • De relevante tussenliggende bedrijven en personen moeten bekend zijn,
  • De vermelding van de verplichtingen van die actoren en de desbetreffende logistieke regelingen.

Die regelingen worden bindend gemaakt voor de distributeurs van de navulbare houders voor ozonafbrekende stoffen aan eindgebruikers. Een dergelijke voorziening kan bijvoorbeeld worden aangetoond door een contractuele afspraak met de leverancier (bij invoer) of met de afnemer (bij uitvoer). Indien er dus tussenpersonen betrokken zijn dienen die ook bekend te zijn en wat ze verplicht zijn om te doen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een contract tussen een leverancier met een partij in de EU die de navulbare houders verzamelt en tegelijk laat opsturen voor hergebruik. In de conformiteitsverklaring moet dit aangegeven staan.

6.2.3 Conformiteitsverklaring voor Trifluormethaan als bijproduct (Ozonverordening art 15 lid 4)

Bij de productie van OAS kan er als bijproduct Trifluormethaan ontstaan. Trifluormethaan is geen OAS maar wel een zeer sterk broeikasgas (14.800 maal sterker dan CO2). Het is niet wenselijk dat dit gas in de atmosfeer terecht komt.

Het in de handel brengen van ozonafbrekende stoffen is dan ook verboden, tenzij producenten of importeurs op het ogenblik van het in de handel brengen de bevoegde autoriteit van een lidstaat voorzien van bewijs waaruit blijkt dat Trifluormethaan dat als bijproduct wordt geproduceerd tijdens het productieproces van de ozonafbrekende stoffen is vernietigd of voor later gebruik is teruggewonnen.

Ten behoeve van het verstrekken van dat bewijs stellen producenten en importeurs een conformiteitsverklaring op, vergezeld van ondersteunende documentatie aan de hand waarvan:

  • De oorsprong van de in de handel te brengen ozonafbrekende stoffen kan worden vastgesteld;
  • De productiefaciliteit van oorsprong van de in de handel te brengen ozonafbrekende stoffen kan worden geïdentificeerd;
  • Bewijs wordt geleverd van afvang en vernietiging;
  • Aanvullende informatie wordt verstrekt om het volgen van de ozonafbrekende stoffen voorafgaand aan de invoer te vergemakkelijken.

6.2.4 Verbod op vernietigen halonen (Ozonverordening art 20 lid 4)

Halonen in systemen voor brandbeveiliging en brandblusapparaten worden bij het onderhoud of de service van apparatuur of voorafgaand aan de ontmanteling of verwijdering daarvan teruggewonnen met het oog op recycling of regeneratie.

De vernietiging van halonen is verboden tenzij er bewijsstukken zijn waaruit blijkt dat de regeneratie en het latere hergebruik technisch niet haalbaar is vanwege de zuiverheid van de teruggewonnen of gerecyclede stof. Halonen kunnen daarom niet zonder een dergelijk bewijsstuk worden aangegeven voor de regeling actieve veredeling, vernietiging (regeling 51….)

6.3 Vrijstellingen

Er zijn vrijstellingen mogelijk bij de invoer en uitvoer van OAS (Ozonverordening, artikel 4 lid 2) en producten en apparaten die OAS bevatten (Ozonverordening, artikel 5 lid 2).

Let op!  Let op!

Het betreft GEEN vrijstelling van vergunning plicht. Vrijstelling van vergunning plicht is slechts mogelijk indien er sprake is van:

6.3.1 Vrijstellingen bij invoer (Ozonverordening art 13 lid 1)

Voor invoer van OAS als zuivere stoffen en van producten met OAS geldt een verbod op de invoer. Hierop zijn de volgende vrijstellingen mogelijk:

a) OAS, bestemd voor gebruik als grondstof;

b) OAS, bestemd voor gebruik als technische hulpstof;

c) OAS, bestemd om te voorzien in de essentiële laboratorium- en analytische toepassingen;

d) OAS, bestemd voor vernietiging;

e) OAS, bestemd voor regeneratie;

f) methylbromide voor gebruik in noodgevallen;

g) teruggewonnen, gerecyclede of geregenereerde halonen, op voorwaarde dat zij uitsluitend worden ingevoerd voor in artikel 9, lid 1 Ozonverordening, bedoelde kritische toepassingen, door ondernemingen die door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat zijn gemachtigd om halonen voor kritische toepassingen op te slaan;

h) producten en apparatuur die halonen bevatten of nodig hebben voor hun werking, bestemd om te voorzien in kritische toepassingen;

i) producten en apparatuur die ozonafbrekende stoffen bevatten of nodig hebben voor hun werking, met het oog op vernietiging;

j) producten en apparatuur die ozonafbrekende stoffen bevatten of nodig hebben voor hun werking, bestemd om te voorzien in essentiële laboratorium- en analytische toepassingen.

6.3.2 Vrijstelling bij uitvoer (Ozonverordening art 14 lid 1)

Voor uitvoer van OAS als zuivere stoffen en van producten met OAS geldt een verbod op de uitvoer. Hierop zijn de volgende vrijstellingen mogelijk:

a) OAS, bestemd om te voorzien in de essentiële laboratorium- en analytische toepassingen;

b) OAS, bestemd voor gebruik als grondstof;

c) OAS, bestemd voor gebruik als technische hulpstof;

d) nieuw geproduceerde of geregenereerde chloorfluorkoolwaterstoffen voor andere toepassingen dan die welke worden vermeld in de punten a) en b), behalve voor vernietiging;

e) teruggewonnen, gerecyclede of geregenereerde halonen die voor kritische toepassingen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1 Ozonverordening, zijn opgeslagen door ondernemingen die door de bevoegde autoriteit van een lidstaat zijn gemachtigd om halonen voor kritische toepassingen op te slaan;

f) producten en apparatuur die halonen bevatten of nodig hebben voor hun werking, bestemd om te voorzien in kritische toepassingen;

g) producten en apparatuur die ozonafbrekende stoffen bevatten of nodig hebben voor hun werking eerder ingevoerd en bestemd om te voorzien in essentiële laboratorium- en analytische toepassingen. (zie punt j, vrijstellingen bij invoer)

h) Uitvoer OAS na toestemming commissie (Ozonverordening art 14 lid 2)

6.3.3 Vrijstelling voor grondstoffen (Ozonverordening art 6)

Er geldt een vrijstelling voor gebruik als grondstof bij bepaalde processen (Ozonverordening art 6 lid 1).

De vrijstelling voor de invoer en uitvoer is gegeven in de Ozonverordening, art 13 lid 1 en art 14 lid 1.

De Commissie stelt in gedelegeerde handelingen een lijst vast van chemische productieprocessen waarvoor het gebruik van de in bijlage I opgenomen ozonafbrekende stoffen als grondstof verboden is. Hiervoor zijn dan alternatieven voor het bestaande gebruik van OAS als grondstof.

De lijst kan worden bijgewerkt vanuit het verdrag van Montreal of van de eigen beoordelingen van de Commissie. Dan worden bepaalde stoffen voor gebruik als grondstof dus toegevoegd aan de lijst.

6.3.4 Vrijstelling van technische hulpstoffen (Ozonverordening art 7)

Er geldt een vrijstelling voor gebruik als technische hulpstof bij bepaalde processen in de Unie (Ozonverordening art 7).

De vrijstelling voor de invoer en uitvoer is gegeven in de Ozonverordening, art 13 lid 1 en art 14 lid 1.

Het betreft slechts twee stoffen die ingevoerd mogen worden en dan nog alleen voor bepaalde processen zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de Ozonverordening. Het gaat om de stoffen tetrachloorkoolstof, CAS nr. 56-23-5 en chloorfluorkoolstof-12 (ook bekend als CFC-12, Dichloordifluormethaan) CAS nr. 75-71-8.

Er gelden quota voor OAS die in de Unie als technische hulpstof mogen worden gebruikt.

6.3.5 Vrijstelling essentiële laboratorium- en analytische toepassingen (Ozonverordening art 8)

De stoffen

Er geldt een vrijstelling voor OAS stoffen voor essentiële laboratorium en analytische toepassingen.

De vrijstelling voor de invoer en uitvoer is gegeven in de Ozonverordening, art 13 lid 1 en art 14 lid 1.

De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen bepalen:

  • Voor welke essentiële laboratorium- en analytische toepassingen de productie en invoer van in bijlage I opgenomen ozonafbrekende stoffen in de Unie kunnen worden toegestaan,
  • Gedurende welke periode de vrijstelling geldt,
  • Welke gebruikers voor die essentiële laboratorium- en analytische toepassingen in aanmerking komen.

Producten

Er geldt een vrijstelling voor de invoer en uitvoer van producten die OAS bevatten of nodig hebben voor hun werking, bestemd om te voorzien in essentiële laboratorium- en analytische toepassingen.

Vrijstelling op het gebruik van niet navulbare houders (Ozonverordening art 15 lid 1)

Als is voldaan aan de eis voor het gebruik voor essentiële laboratorium- en analytische toepassingen dan geldt er ook een uitzondering op het gebruik van niet-navulbare houders voor deze toepassingen.

De houders mogen na gebruik alleen worden opgeslagen of vervoerd om vervolgens te worden verwijderd.

6.3.6 Vrijstelling kritische toepassingen van halonen (Ozonverordening art 9 juncto bijlage V)

Er geldt een vrijstelling voor halonen (bijlage I groep III Ozonverordening) voor kritische toepassingen overeenkomstig bijlage V. In de bijlage is dit alleen het gebruik van halonen in brandblusinstallaties voor militaire doeleinden en luchtvaart.

De vrijstelling is alleen toegestaan voor ondernemingen die door de ILT ook zijn gemachtigd om halonen voor kritische toepassingen op te slaan. Dit wordt vastgelegd in het OAS portaal.

Er gelden einddata die zijn opgenomen in bijlage V voor de brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die halonen bevatten.

De vrijstelling voor de invoer en uitvoer is gegeven in de Ozonverordening, art 13 lid 1 en art 14 lid 1.

Terugwinning Halonen

Er geldt ook een verplichting om de halonen die in brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten zijn verwerkt, terug te winnen. Slechts onder uitzondering mogen zij vernietigd worden. (Ozonverordening, art 20 lid 4). Zie hiervoor ook paragraaf 6.2.5.

Teruggewonnen, gerecyclede of geregenereerde halonen voor kritische toepassingen mogen uitsluitend worden opgeslagen indien het bedrijf daartoe gemachtigd is.

Uitvoer van de opgeslagen halonen voor kritische toepassingen is toegestaan indien de exporteur in het bezit is van een vergunning (Ozonverordening, art 14 lid 3)

6.3.7 Gebruik in noodgevallen van methylbromide (Ozonverordening art 10)

In noodgevallen kan de Commissie, op verzoek van de bevoegde autoriteit van een lidstaat, wanneer een onverwachte uitbraak van bepaalde plagen of ziekten dat vereist, tijdelijk de productie, het in de handel brengen en het gebruik van methylbromide toestaan. Dergelijke gevallen zijn zeldzaam en zullen bij de ILT dan bekend zijn.

De mogelijkheid voor deze vrijstelling voor de invoer is gegeven in de Ozonverordening, art 13 lid 1.

6.3.8 Vrijstellingen met betrekking tot producten en apparatuur die ozonafbrekende stoffen bevatten of nodig hebben voor hun werking (Ozonverordening art 11)

Er is een vrijstelling ook voor de producten en apparatuur met ozonafbrekende stof voor essentiële laboratorium- of analytische toepassing (Ozonverordening, artikel 8) en het gebruik van halonen in blussystemen voor militair gebruik of luchtvaart (Ozonverordening, artikel 9). De vrijstellingen van halonen is alleen voor toepassingen die zijn genoemd in bijlage V van de Ozonverordening en tot de genoemde einddatum.

De vrijstelling voor de invoer en uitvoer is gegeven in de Ozonverordening, art 13 lid 1 en art 14 lid 1.

6.3.9 Vernietigen en regeneratie (Ozonverordening art 12)

Producten en apparatuur met OAS en de stoffen zelf die zijn opgenomen in bijlage I mogen worden ingevoerd of aan een andere persoon in de Unie verder worden geleverd voor vernietiging binnen de Unie. Dit mag alleen als de goederen op een toegelaten manier kunnen worden vernietigd (Ozonverordening, artikel 20, lid 6). De in bijlage I vermelde ozonafbrekende stoffen mogen ook in de handel worden gebracht met het oog op regeneratie (hergebruik) in de Unie.

Binnen de Unie is maar een zeer beperkt aantal bedrijven in staat om de stoffen te behandelen of te vernietigen.

De vrijstelling voor de invoer is gegeven in de Ozonverordening, art 13 lid 1. Er mogen geen producten en apparatuur worden uitgevoerd voor vernietiging of regeneratie.

6.3.10 Uitvoer na toestemming van de Commissie (Ozonverordening art 14 lid 2)

De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen, op verzoek van een bevoegde autoriteit van een lidstaat, toestemming geven voor de uitvoer van producten en apparatuur die chloorfluorkoolwaterstoffen bevatten, indien is aangetoond dat:

  • Het verbieden van de uitvoer, gezien de economische waarde en de verwachte resterende levensduur van de specifieke goederen, voor de exporteur een onevenredig zware belasting zou betekenen,
  • Dergelijke uitvoer in overeenstemming is met nationale wetgeving van het land van bestemming.

Alvorens toestemming te verlenen voor het verzoek met betrekking tot uitvoer gaat de Commissie na of de nationale wetgeving van het land van bestemming waarborgt dat dergelijke producten en apparatuur na het einde van hun levensduur op passende wijze worden verwerkt om het vrijkomen van ozonafbrekende stoffen tot een minimum te beperken.

Voorafgaand aan een dergelijke uitvoer dient de Commissie het land van bestemming daarover te informeren.

6.4 Vergunningplicht (Ozonverordening, art 16)

6.4.1 Vergunningensysteem bij vrijstellingen

Invoer en uitvoer bij vrijstellingen van het verbod van OAS of producten en apparaten die OAS bevatten vereist de overlegging van een door de Commissie op grond van artikel 16 afgegeven geldige vergunning aan de douaneautoriteiten.

Er is een elektronisch vergunningensysteem wat beheerd wordt door de commissie. Ondernemingen moeten bij de commissie voordat zij gebruik kunnen maken van het systeem zich eerst laten registreren. Bij de registratie moet het bedrijf zijn EORI nummer opgeven en of zij importeur danwel exporteur zijn.

Pas na registratie kan een vergunning afgegeven worden.

Geen vergunningplicht

Geen vergunningplicht bij:

  • Persoonlijke bezittingen (Ozonverordening, art 5 lid 2),
  • Tijdelijke opslag (Ozonverordening, art 13 lid 2),
  • Wederuitvoer na tijdelijke opslag (Ozonverordening, art 14 lid 3).

6.4.2 Vergunningverlening en afgifte

Algemeen

De vergunning aanvraag geschiedt door de onderneming digitaal in het OAS-2-vergunningensysteem (hierna: vergunningsysteem) en wordt rechtstreeks door de commissie verleend of afgewezen.

Vergunningen kunnen worden afgegeven aan ondernemingen met een vestiging binnen de Unie en aan ondernemingen met een vestiging buiten de Unie.

Ondernemingen met een vestiging buiten de Unie benoemen een enige vertegenwoordiger met een vestiging binnen de Unie die de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de naleving van de bepalingen uit de ozonverordening.

Vergunningen hebben een verloopdatum en zijn niet onbeperkt geldig.

Aan te leveren gegevens door ondernemingen

In het geval van invoer of uitvoer van OAS: een omschrijving van elk van die stoffen met vermelding van:

i) de naam en het beoogde gebruik van de stof;

ii) de GN code van de goederen in Taric;

iii) of de stof deel uitmaakt van een mengsel.

In het geval van invoer of uitvoer van producten en apparatuur die OAS bevatten of nodig hebben voor hun werking:

i) het type en het beoogde gebruik van de producten en apparatuur;

ii) de naam van de stof;

iii) de GN code van de goederen in Taric.

Invoer OAS bijlage I voor vernietiging

In het geval van invoer van in de bijlage I opgenomen OAS of voor vernietiging bestemde producten of apparatuur verstrekt de importeur de naam en het adres van de installatie waar de vernietiging zal plaatsvinden. Uitvoer voor vernietiging is verboden en is geen vrijstelling voor te krijgen.

6.4.3 Koppeling vergunning OAS-2 vergunningsysteem met DMS middels CERTEX

Het vergunningsysteem is aangesloten op het European Union Customs Single Window Certificates Exchange System — “EU-CSW-CERTEX (hierna: CERTEX). Via CERTEX wordt bij aangiften in DMS automatisch op een aantal punten gecontroleerd op overeenstemming met het achterliggende aangesloten niet-douanesysteem zoals het OAS-vergunningsysteem.

De aangever/indiener zal de aangifte juist en in overeenstemming met zijn vergunning OAS moeten invullen. Het controleproces gaat vooraf aan de aanvaarding in DMS. Bij mismatches zal de aangifte niet aanvaard worden en krijgt de aangever/indiener een foutmelding.

6.5 Vrijstelling vergunningplicht

6.5.1 Vrijstelling voor apparaten bij persoonlijke bezittingen (Ozonverordening art 5 lid 2)

De invoer of uitvoer van producten en apparatuur die in bijlage I opgenomen ozonafbrekende stoffen bevatten of nodig hebben voor hun werking, is verboden.

Dat verbod is niet van toepassing op apparaten in persoonlijke bezittingen.

Let op!  Let op!

Dit geldt dus niet voor de stoffen maar alleen voor de producten en apparatuur. Er mogen dus geen gasflesjes in wat voor vorm dan ook die OAS bevatten in persoonlijke bezittingen bevinden.

Wat is persoonlijk bezit

Binnen de Ozonverordening is geen definitie gegeven voor “persoonlijke bezittingen”. Voor de Douane sluiten we aan op de definitie van “persoonlijke goederen” uit de Verordening 1186/2009 betreffende communautaire regeling inzake douanevrijstellingen.

Daar is de definitie van persoonlijke goederen als volgt gegeven:

  • Goederen die voor het persoonlijk gebruik van de belanghebbenden of voor de behoeften van hun huishouden dienen. Persoonlijke goederen zijn met name:
  • Roerende goederen en voorwerpen,
  • Fietsen en motorfietsen, automobielen voor particulier gebruik en aanhangwagens daarvan, kampeerwagens, pleziervaartuigen en sportvliegtuigen,
  • Huishoudelijke voorraden die overeenkomen met een normale gezinsbevoorrading,
  • Kleine huisdieren en rijdieren (en benodigdheden daarvoor zoals bijvoorbeeld medicijnen),
  • Draagbare instrumenten voor kunsten en ambachten die de belanghebbende nodig heeft voor de uitoefening van zijn beroep, zijn eveneens persoonlijke goederen.

Persoonlijke goederen mogen door hun aard of hoeveelheid geen commerciële bijbedoeling laten blijken.

Praktisch gezien kunnen dit dus verhuisboedels betreffen of goederen die een reiziger bij zich heeft of laat op- of nasturen.

Onder persoonlijke bezittingen vallen niet internetaankopen of zendingen aan particulieren vanuit bedrijven in het buitenland. Het goed moet door de particulier eerder in het buitenland zijn aangekocht en gebruikt of persoonlijk uit het buitenland meegebracht worden.

Bij persoonlijke bezittingen is GEEN registratie in het OAS-2 vergunningsysteem en GEEN vergunningplicht van toepassing.

6.5.2 Tijdelijke opslag

Niet-Uniegoederen zijn in tijdelijke opslag vanaf het moment dat zij bij de douane zijn aangebracht (artikel 144 DWU). Deze tijdelijke opslag eindigt op het moment dat de goederen binnen de voorgeschreven termijn van 90 dagen onder een douaneregeling zijn geplaatst of wederuitgevoerd. (artikel 149 DWU).

Meer over tijdelijke opslag vind je in handboek douane 11.00.00 Tijdelijke opslag van goederen.

Wanneer goederen in tijdelijke opslag niet direct onder een douaneregeling worden geplaatst of worden wederuitgevoerd, moeten zij worden opgeslagen in een gebouw of terrein dat voor die opslag is goedgekeurd (artikel 147 lid 1 DWU). Tijdelijke opslag vindt na binnenbrengen plaats in gebouwen of op terreinen waarvoor een vergunning voor het beheer van een opslagruimte voor tijdelijke opslag, kortweg ‘vergunning RTO’ genoemd, is verleend.

Vrijstelling vergunningplicht invoer bij tijdelijke opslag (niet-Uniegoederen) OAS

Vanuit de Ozonverordening geldt er een vrijstelling van vergunning bij invoer indien OAS of goederen met OAS als niet-Uniegoederen tijdelijk worden opgeslagen in een RTO (Ozonverordening, artikel 13 lid 2).

6.5.3 Wederuitvoer na tijdelijke opslag van niet-uniegoederen

Na de tijdelijke opslag van de niet-Uniegoederen met OAS geldt dat er

  • Een kennisgeving van wederuitvoer (Re-export notification, artikel 274 DWU, bijlage B, Titel I, hoofdstuk 2, deel 1, kolom A3 GVo.DWU) of
  • Een summiere aangifte bij uitgaan (Exit Summary declaration – EXD, artikel 271 DWU) ingediend moet worden.

De keuze is afhankelijk van de bepalingen in artikel 245 lid 2 letter e GVo.DWU. Denk daarbij aan bepalingen over de termijn van tijdelijke opslag, het douanekantoor van toezicht en dergelijke.

De vervoerder moet het (definitief) uitgaan mededelen aan het douanekantoor van uitgang (artikel 332-5 UVo.DWU). Dit kan door opgave van het MRN van de kennisgeving van wederuitvoer of summiere aangifte bij uitgaan, in het uitgaand manifest (artikel 332-5-a UVo.DWU). Op basis van de mededeling van het uitgaan eindigt het douanetoezicht op de niet-Uniegoederen (OAS).

De datum van uitgaan is de datum waarop het vaartuig waarin de niet-UnieOAS of niet-Uniegoederen met OAS zijn geladen, de haven van lading heeft verlaten (artikel 333 lid 2 letter a UVo.DWU).

Meer informatie over wederuitvoer vind je in het Handboek Douane, onderdeel 23.00.00 uitgaan, Hoofdstuk ‘2 Verlaten van het douanegebied van de Unie’

Vrijstelling van vergunningplicht wederuitvoer (niet-Uniegoederen) OAS na tijdelijke opslag

Niet-Uniegoederen OAS of niet-Uniegoederen met OAS gevuld kunnen worden wederuitgevoerd na tijdelijke opslag zonder uitvoervergunning (Ozonverordening, artikel 14 lid 3).