Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

3 Onttrekken aan een accijnsschorsingsregeling

Indien er sprake is van onttrekking aan een accijnsschorsingsregeling is er sprake van een belastbaar feit (uitslag tot verbruik) op grond van artikel 2, eerste lid, letter a, WA.

De accijns kan dan, afhankelijk van de situatie, op grond van artikel 51, eerste lid, letter a, onder 1°, WA worden geheven van:

  • de vergunninghouder AGP
  • de vergunninghouder geregistreerde geadresseerde of geregistreerde geadresseerde (tijdelijk)
  • enig andere persoon die de accijnsgoederen aan de accijnsschorsingsregeling onttrekt of voor wiens rekening de accijnsgoederen aan de accijnsschorsingsregeling worden onttrokken (hierbij valt te denken aan de geadresseerden van de artikel 69 WA (onder andere diplomaten en strijdkrachten);
  • enig andere persoon die bij de onregelmatige onttrekking aan de AGP betrokken is geweest

Indien er sprake is van een onregelmatigheid tijdens de overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling (zie artikel 2c, WA) dan kan de accijns, afhankelijk van de situatie, op grond van de artikel 51, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, WAworden geheven van:

  • de vergunninghouder van de AGP;
  • de vergunninghouder van het belastingentrepot;
  • de geregistreerde afzender;
  • de vervoerder of eigenaar van de goederen als bedoeld in artikel 56, derde lid, WA;
  • enig andere persoon die zekerheid heeft gesteld ingevolge de wettelijke bepalingen van een andere lidstaat;
  • alle personen die bij de onregelmatige onttrekking betrokken zijn geweest terwijl zij wisten of redelijkerwijs hadden moeten weten dat het onttrekken op onregelmatige wijze gebeurde.

In de volgende paragrafen worden een aantal mogelijkheden uitgewerkt van onttrekken aan een accijnsschorsingsregeling.

3.1 Onttrekken aan een AGP

Bij een AGP kan er zowel sprake zijn van regelmatige onttrekking als van onregelmatige onttrekking.
Indien goederen buiten een AGP worden gebracht en dit wordt verantwoord in de administratie van de AGP is er sprake van regelmatige onttrekking.
Diefstal en minderbevindingen (andere dan vernietiging of verlies genoemd in artikel 2, vijfde lid, WA) zijn voorbeelden van onregelmatige onttrekking.

3.1.1 Belastingplichtige

Indien er sprake is van onttrekking aan een AGP is er sprake van uitslag tot verbruik o.g.v. artikel 2, eerste lid, onderdeel a, WA. In artikel 51, eerste lid, onderdeel a, onder 1, WAo, is aangegeven wie de belastingplichtige bij deze vorm van uitslag tot verbruik is. Daarbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen regelmatige en onregelmatige onttrekking.

Regelmatige onttrekking AGP

Indien er sprake is van een regelmatige onttrekking bij een AGP ofwel er worden op een reguliere wijze goederen buiten de locatie van de AGP gebracht waardoor er verschuldigdheid ontstaat (onttrekking), dan wordt de accijns geheven van:





  • de vergunninghouder van de AGP. Hij is ook degene die wordt uitgenodigd tot het doen van de periodieke aangifte. Er wordt periodiek een aangifte voor deze vergunninghouder klaargezet die hij verplicht is om in te dienen, ook al is er in die betreffende periode niets verschuldigd. De vergunninghouder AGP moet in dat geval een nihilaangifte doen;
  • enig andere persoon die de accijnsgoederen aan de accijnsschorsingsregeling onttrekt (bij voorbeeld de geadresseerde bedoeld in artikel 69, WA);
  • de persoon voor wiens rekening de accijnsgoederen worden onttrokken aan de accijnsschorsingsregeling. Deze situatie doet zich voor als accijnsgoederen worden uitgeslagen uit een AGP in opdracht van de vergunninghouder van een andere AGP. De accijns wordt dan geheven van de vergunninghouder van die andere AGP (artikel 51, tweede lid, WA).

Onregelmatige onttrekking AGP

Bij een onregelmatige onttrekking wordt de accijns geheven van de volgende personen (artikel 51, eerste lid, onderdeel a, onder 1, WA):






  • de vergunninghouder van de AGP. Bijvoorbeeld een minderbevinding die niet kan worden verklaard;
  • enig andere persoon die de accijnsgoederen aan de accijnsschorsingsregeling onttrekt. Bij diefstal is dit bijvoorbeeld de dief;
  • enig andere persoon die bij de onregelmatige onttrekking betrokken is geweest. Indien er sprake is van diefstal is dit bijvoorbeeld degene die opdracht heeft gegeven tot de diefstal (medeplichtige) en mogelijk anderen die behulpzaam zijn geweest.

3.1.2 Tijdstip ontstaan verschuldigdheid bij een AGP

In artikel 52 WA wordt aangegeven op welk tijdstip de accijns verschuldigd is bij uitslag tot verbruik. In artikel 52, eerste lid, WA is de hoofdregel opgenomen dat de accijns wordt
verschuldigd op het tijdstip van de uitslag tot verbruik. In artikel 52 tweede en derde lid, WA wordt voor de daar genoemde situaties bepaald wat onder dit tijdstip moet worden verstaan. Voor de situatie dat sprake is van onttrekking aan een accijnsschorsingsregeling (artikel 2, eerste lid, onderdeel a WA) is artikel 52 eerste lid, WA (de hoofdregel) van toepassing.

Voor het onttrekken aan een AGP betekent dit dat de accijns verschuldigd wordt op de hierna
genoemde tijdstippen:





  • indien de accijnsgoederen fysiek buiten de AGP worden gebracht: het tijdstip van het brengen buiten de AGP;
  • indien de accijnsgoederen op onregelmatige wijze onttrokken worden aan de AGP: het tijdstip van deze onregelmatige onttrekking. In de praktijk zal dit tijdstip vaak niet bekend zijn. Indien dit niet bekend is en ook niet bij benadering bekend is, wordt het tijdstip waarop de onregelmatigheid geconstateerd wordt aangemerkt als het tijdstip waarop de verschuldigdheid ontstaat;
  • indien de accijnsgoederen binnen de AGP verbruikt worden (belastbaar feit op grond van artikel 2, tweede lid, WA): het tijdstip van het verbruik (zie paragraaf 3.2).

De accijns wordt berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip van uitslag tot verbruik (artikel 55, eerste lid, WA.

3.1.3 Aangifte en betaling van de accijns

In artikel 53, eerste lid, WA is de hoofdregel opgenomen dat de in een tijdvak verschuldigde accijns op aangifte moet worden voldaan. Het onttrekken aan een AGP is niet in artikel 53a WA als uitzondering op die hoofdregel genoemd. De vergunninghouder AGP moet de aangifte binnen 1 maand na het einde van het tijdvak indienen en de op die aangifte verschuldigde accijns betalen (zie ook hoofdstuk 9).

Deze periodieke AGP-aangiften worden via het aangifte- en betaalsysteem van de douane (MijnDouane) voor de AGP vergunninghouders tijdig klaargezet.

Bijvoorbeeld:

Voor de accijnsgoederen die op 2 mei buiten de AGP zijn gebracht, met andere woorden zijn onttrokken aan een accijnsschorsingsregeling hetgeen wordt aangemerkt als ‘uitslag tot verbruik’ waardoor er een verschuldigdheid ontstaat, moet uiterlijk 30 juni de periodieke aangifte zijn ingediend bij de Douane en de verschuldigde accijns moet zijn betaald aan de Douane.

Meerdere locaties

In principe moet voor elke AGP afzonderlijk aangifte worden gedaan (artikel 53, tweede lid, WA). Voor de vergunninghouder die verschillende AGP’s exploiteert, bestaat de mogelijkheid dat onder voorwaarden wordt volstaan met één aangifte voor alle AGP’s samen (artikel 53, derde lid, WA).

Het verzoek om één aangifte te doen voor meerdere AGP’s moet worden ingediend bij de inspecteur binnen wiens ambtsgebied de centrale administratie van het bedrijf wordt gevoerd. Een afschrift van het verzoek moet worden gezonden aan de inspecteurs die de vergunningen voor de desbetreffende AGP’s hebben verleend (artikel 21, tweede lid, URA).

Goedkeuring om één aangifte te doen voor meer AGP’s kan slechts worden verleend als de administratie van de vergunninghouder voldoet aan de eisen die zijn gesteld in artikel 21 URA. De toestemming voor het doen van één aangifte wordt opgenomen in de vergunningen voor de desbetreffende AGP’s. De inspecteur beslist op het verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 21, vierde lid, URA en artikel 50, eerste lid, WA).

Het doen van één aangifte voor meer AGP’s wil niet zeggen dat die AGP’s samen als één AGP (een eenheid) mogen worden aangemerkt. Bij vervoer van accijnsgoederen tussen de verschillende AGP’s waarvoor een centrale aangifte wordt gedaan, gelden bijvoorbeeld gewoon de bepalingen die van toepassing zijn bij het vervoer tussen AGP’s. Dat betekent dat er op grond van artikel 2, UBA vervoerd kan worden onder begeleiding van een e-AD, of op grond van artikel 2a, UBA met een maandverklaring, waarbij tijdens het vervoer de herkomst aangetoond moet kunnen worden.

Op grond van Beleidsregel accijnswetgeving 1.3 kan zelfs, na toestemming van de inspecteur, de maandverklaring achterwege blijven voor het vervoer tussen AGP’s, die in handen zijn van dezelfde vergunninghouder, onderling. De voorwaarden zijn opgenomen in Beleidsregel 1.3.

Voldoening bij intrekken vergunning AGP

Artikel 54 WA regelt de heffing en de voldoening van de accijns verschuldigd over de voorraad accijnsgoederen die aanwezig is in een AGP op het tijdstip van de intrekking van de vergunning AGP.

De inspecteur kan bepalen dat bij intrekking van een vergunning de termijn waarbinnen de accijns moet worden voldaan minder is dan 1 maand (artikel 54, tweede lid, WA). Hierdoor is de heffing van de accijns in voorkomende gevallen voldoende verzekerd.

3.2 Onttrekken door verbruik binnen een AGP

Als uitslag tot verbruik wordt ook aangemerkt het verbruik van accijnsgoederen, anders dan als grondstof, binnen een AGP die voor dat soort accijnsgoed is aangewezen (artikel 2, tweede lid, WA).
Dit betekent dus dat alle verbruik van accijnsgoederen binnen de accijnsgoederenplaats die voor dat accijnsgoed als zodanig is aangewezen, met een ander doel dan het verbruik als grondstof voor de productie van accijnsgoederen, tot verschuldigdheid van accijns leidt. De hiervoor alsdan verschuldigde accijns moet op aangifte worden voldaan.

Uitzondering:

Als verbruik binnen de AGP, waarover dus accijns moet worden voldaan, valt niet het verbruik van minerale oliën die als brandstof in een AGP voor de productie of verwerking vvan minerale oliën wordt verbruikt (artikel 2, negende lid, WA).

3.2.1 Belastingplichtige

Indien er sprake is van verbruik van accijnsgoederen binnen een AGP dan worden deze accijnsgoederen onttrokken aan een accijnsschorsingsregeling, namelijk aan de AGP. Dat betekent dat de vergunninghouder AGP als belastingplichtige wordt aangemerkt en (mogelijk) nog anderen die bij deze onttrekking betrokken zijn geweest.

3.2.2 Tijdstip ontstaan verschuldigdheid

In artikel WA wordt aangegeven op welk tijdstip de accijns verschuldigd is bij uitslag tot verbruik. In artikel 52, eerste lid, WA is de hoofdregel opgenomen dat accijns verschuldigd wordt op het tijdstip van de uitslag tot verbruik. Voor de situatie dat er sprake is van verbruik van een accijnsgoed binnen een AGP die voor dat soort accijnsgoed is aangewezen is de hoofdregel van toepassing. Dit betekent dat de accijns verschuldigd wordt op het tijdstip dat (artikel 52, eerste lid, WA) de accijnsgoederen verbruikt worden en dat deze berekend wordt naar het tarief dat geldt op het tijdstip van uitslag tot verbruik (artikel 55, eerste lid, WA).

De accijns kan in een dergelijke situatie verschuldigd zijn door de vergunninghouder van de AGP maar ook door degene die bij een illegaal verbruik binnen die AGP betrokken is.

(artikel 51, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, WA).

3.2.3 Aangifte en betaling van de accijns

In artikel 53, eerste lid, WA is de hoofdregel opgenomen dat voor zover er sprake is van een AGP, de in een tijdvak verschuldigde accijns op aangifte moet worden voldaan. Het verbruik in een AGP valt daar ook onder. De vergunninghouder AGP moet de aangifte binnen 1 maand na het einde van het tijdvak doen en de accijns betalen (zie ook hoofdstuk 9).

3.3 Onttrekken door ontvangst door een geregistreerde geadresseerde

Als een geregistreerde geadresseerde accijnsgoederen ontvangt die onder schorsing van accijns vervoerd zijn, dan is dit vervoer gestart bij een belastingentrepot of een geregistreerde afzender in een andere lidstaat. Door de ontvangst van de goederen door de geregistreerde geadresseerde worden deze goederen onttrokken aan de accijnsschorsingsregeling. De accijnsschorsingsregeling wordt beëindigd en er is dan sprake van uitslag tot verbruik (artikel 2, eerste lid, onderdeel a, WA).

3.3.1 Belastingplichtige

Indien een geregistreerde geadresseerde accijnsgoederen ontvangt die onder schorsing van accijns vervoerd zijn dan is deze geregistreerde geadresseerde de belastingplichtige (artikel 51, eerste lid, onderdeel a, onder 1°).

3.3.2 Tijdstip van uitslag tot verbruik

De onttrekking aan de accijnsschorsingsregeling zoals genoemd in de artikel 2, eerste lid, onderdeel a, WA vindt plaats op het tijdstip waarop de goederen door de geregistreerde geadresseerde worden ontvangen. Er is dan dus sprake van een uitslag tot verbruik waardoor accijns wordt verschuldigd (artikel 52, tweede lid, onderdeel c, WA). Op dat tijdstip (het tijdstip van de ontvangst = tijdstip van de onttrekking aan de accijnsschorsingsregeling = tijdstip van de uitslag tot verbruik) is de accijns verschuldigd.

De accijns wordt berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip van uitslag tot verbruik (artikel 55,eerste lid, WA)

3.3.3 Aangifte en betaling van de accijns

De ontvangst van accijnsgoederen door een geregistreerde geadresseerde in relatie met het doen van de accijnsaangifte, is niet gekoppeld aan een tijdvak maar aan een tijdstip. Daarom is op de aangifte die een geregistreerde geadresseerde moet doen de hoofdregel van artikel 53, WA niet van toepassing.

In artikel 52, tweede lid, onderdeel c, WA is bepaald dat de accijns verschuldigd wordt op het tijdstip van ontvangst door de geregistreerde geadresseerde. Vervolgens is in artikel 53a, eerste lid, onderdeel a, WA bepaald dat die geregistreerde geadresseerde aangifte moet doen uiterlijk op de dag na die van ontvangst van de goederen. In afwijking hiervan bepaalt echter artikel 53a, tweede lid, WA dat die geregistreerde geadresseerde de in één week verschuldigd geworden accijns, waarbij de week loopt van maandag tot en met zondag uiterlijk op de vrijdag daaropvolgend aangifte moet doen en de verschuldigde accijns moet betalen (weekaangifte).

Voorbeeld

Een geregistreerde geadresseerde ontvangt op woensdag 17 augustus 2022, 1000 liter bier en op zaterdag 20 augustus 2022, 3500 liter. Deze belastingplichtige moet op basis van artikel 53a, tweede lid 2, WA, uiterlijk op vrijdag 26 augustus 2022 aangifte doen voor deze 4500 liter bier en de verschuldigde accijns daarvoor eveneens op vrijdag 26 augustus 2022 hebben betaald.

3.4 Onttrekken door onregelmatigheden tijdens het vervoer

Als accijnsgoederen onder schorsing van accijns vervoerd worden dan bevinden deze zich onder een accijnsschorsingsregeling. Dit vervoer eindigt als de goederen in ontvangst worden genomen door de geadresseerde van de goederen dan wel, bij uitvoer, als de goederen het grondgebied
van de Unie verlaten (artikel 2b, tweede lid, WA). Het komt ook voor dat de goederen hun bestemming niet bereiken, bijvoorbeeld doordat deze gestolen worden. Er is dan sprake van een onregelmatigheid (artikel 2c, WA). De goederen worden dan onttrokken aan een accijnsschorsingsregeling. In die situatie is er dus ook sprake van uitslag tot verbruik (artikel 2, eerste lid, onderdeel a, WA).

Onder een onregelmatigheid wordt verstaan (artikel 2c, zevende lid, WA): een situatie die zich tijdens een overbrenging onder accijnsschorsing voordoet (niet zijnde een algehele vernietiging of onherstelbaar verlies als genoemd in artikel 2, vijfde lid, WA) waardoor die overbrenging of een deel ervan niet is geëindigd zoals aangegeven in artikel 2b, tweede lid, WA. De overbrenging is overeenkomstig artikel 2b, tweede lid, WA geëindigd op het tijdstip waarop de geadresseerde de accijnsgoederen in ontvangst heeft genomen of op het tijdstip waarop de goederen het grondgebied van de Unie hebben verlaten. Op grond van artikel 4a, eerste lid, UBA vormt het bericht van ontvangst of het bericht van uitvoer het bewijs dat een overbrenging overeenkomstig artikel 2b, tweede lid, WA is geëindigd. Bij gebreke van een bericht van ontvangst of een bericht van uitvoer is alternatief bewijs mogelijk op basis van artikel 4a, tweede lid, UBA.

In artikel 2c WA is niet het verschuldigd worden van de accijns geregeld, maar de plaats waar de verschuldigdheid ontstaat. Uit dit nationale artikel blijkt namelijk in welke situaties de accijns in Nederland verschuldigd wordt. Als daarvan sprake is leidt dit tot het belastbaar feit ‘uitslag tot verbruik’ als is genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, WA en is dan de accijns verschuldigd.

3.4.1 Belastingplichtige

Indien er sprake is van uitslag tot verbruik omdat er sprake is van een onregelmatigheid tijdens vervoer onder schorsing kunnen er, afhankelijk van de situatie, verschillende belastingplichtigen zijn. Dit zijn de navolgende personen (artikel 51, eerste lid, onderdeel a, onder 2o WA):








  • de vergunninghouder van de AGP. Hiervan is sprake als het vervoer gestart is bij de AGP en de onregelmatigheid in Nederland plaatsgevonden heeft of geacht wordt in Nederland plaatsgevonden te hebben;
  • de vergunninghouder van een belastingentrepot als de onregelmatigheid in Nederland plaatsgevonden heeft of geacht wordt plaatsgevonden te hebben in Nederland en de goederen vanuit dit belastingentrepot zijn verzonden;
  • de geregistreerde afzender. Dit kan zowel een geregistreerde afzender in Nederland als in een andere lidstaat zijn. Ook daarbij geldt dat de onregelmatigheid in heeft Nederland plaatsgevonden of geacht wordt in Nederland plaatsgevonden te hebben en de goederen vanaf die geregistreerde afzender zijn verzonden;
  • de vervoerder of de eigenaar van de accijnsgoederen als deze zekerheid heeft gesteld voor het vervoer (artikel 56, derde lid WA);
  • enig andere persoon die ingevolge de wettelijke bepalingen van een andere lidstaat zekerheid heeft gesteld. Als hoofdregel geldt dat de afzender de zekerheid voor het vervoer stelt (artikel 17, eerste lid, Richtlijn (EU) 2020/262). In artikel 17, derde lid, Richtlijn 2020/262 is de mogelijkheid opgenomen om ook andere personen zekerheid te kunnen laten stellen.
    Elke lidstaat bepaalt zelf in hoeverre ze gebruik maken van deze uitbreiding.
  • alle personen die bij de onregelmatige onttrekking betrokken zijn geweest terwijl zij wisten of redelijkerwijs hadden moeten weten dat het onttrekken op onregelmatige wijze geschiedde.

3.4.2 Tijdstip van uitslag tot verbruik

Als er sprake is van een onregelmatige onttrekking van accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling als gevolg van onregelmatigheden tijdens het vervoer, is het tijdstip van deze onttrekking het tijdstip waarop de accijns verschuldigd is (artikel 52, derde lid, WA). In de praktijk zal het exacte tijdstip van de onttrekking vaak niet bekend zijn. In die gevallen wordt als tijdstip waarop de accijns verschuldigd wordt het tijdstip van het constateren van de onregelmatigheid genomen.

De accijns wordt berekend naar het tarief dat geldt op het tijdstip van uitslag tot verbruik (artikel 55, eerste lid, WA)

3.4.3 Aangifte en betaling van de accijns

In artikel 52, derde lid, onderdeel b, WA, is bepaald dat de accijns bij een onregelmatigheid als genoemd in artikel 2c WA verschuldigd wordt op het tijdstip van de vaststelling van die onregelmatigheid. Op basis van artikel 53a, eerste lid, onderdeel c, WA moet die verschuldigde accijns dan worden betaald binnen 1 maand na dat vastgestelde tijdstip van die onregelmatigheid. Indien echter de AGP-houder in zo’n situatie als belastingplichtige wordt aangemerkt moet hij die verschuldigde accijns opnemen in zijn periodieke aangifte over het tijdvak waarin die onregelmatigheid is vastgesteld. Voor deze AGP-houder geldt de hoofdregel van artikel 53 WA.

Belastingplichtige in een andere lidstaat van de EU

Als accijnsgoederen vanuit een andere lidstaat onder schorsing van de accijns naar of via Nederland worden vervoerd en de goederen worden in Nederland onttrokken aan het vervoer, dan is Nederland de lidstaat die tot heffing moet overgaan (artikel 2c, eerste lid, WA). Dit is ook het geval als de goederen geacht worden in Nederland te zijn onttrokken (artikel 2c, tweede lid, WA). Daarbij kan de accijns door meerdere personen verschuldigd zijn. Ook kunnen deze personen in het buitenland woonachtig of gevestigd zijn.

Aangezien degene die zekerheid heeft gesteld voor het vervoer (mogelijk) niet op de hoogte was van de onregelmatigheid, stelt de inspecteur hem in de gelegenheid om aan te tonen dat de goederen op regelmatige wijze hun bestemming hebben gevolgd of de plaats waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden (artikel 2c, vierde lid 4, WA). Hij moet dat doen binnen
een termijn van een maand na de verstrekking van de informatie door de inspecteur.

In artikel 2c, vijfde lid, WA is bepaald dat als binnen een termijn van drie jaar (te rekenen vanaf de datum van validering van het e-AD) wordt vastgesteld dat de onregelmatigheid daadwerkelijk heeft plaatsgevonden in een andere lidstaat dan Nederland, de accijns dan alsnog in die andere lidstaat verschuldigd wordt. De in Nederland reeds betaalde accijns wordt dan op basis van artikel 71a, eerste lid, WA, teruggegeven mits de accijns in die andere lidstaat dan is voldaan.

Vanuit de andere kant bezien geldt ook dat als de accijns in eerste instantie in een andere lidstaat verschuldigd is geworden en binnen een termijn van drie jaar (na validatie e-AD) wordt vastgesteld dat de onregelmatigheid daadwerkelijk in Nederland heeft plaatsgevonden, wordt de accijns alsnog in Nederland verschuldigd op basis van artikel 2c, eerste lid, WA en artikel 2, eerste lid, onderdeel a, WA.

Het gaat in deze situaties uitsluitend om de onregelmatigheden die bij het vervoer onder schorsing kunnen optreden. In dergelijke situaties bij ‘veraccijnsd’ vervoer is artikel 4 WA van toepassing (zie onderdeel 6.5).